Kartelranden en rafeldraden

De KB, onze nationale bibliotheek, heeft een vertaling van mij in brand gestoken, heb ik onlangs ontdekt. Maar laat ik bij het begin beginnen, want er dook meer onvermoeds op. De afgelopen maanden heb ik me verdiept in het vertaalwerk van Bernlef, waarover later dit jaar meer, en die citeert in een stuk over de Amerikaanse dichter Wallace Stevens Peter Nijmeijers vertaling van het gedicht ‘The House Was Quiet and the World Was Calm’. Aangezien ik dat ruim dertig jaar geleden ook heb vertaald, besloot ik het origineel erbij te pakken en eens te kijken of ik die vertaling terug kon vinden. Toen ik Stevens’ Collected Poems uit de kast pakte en opensloeg viel daar een opgevouwen papier uit dat met zijn kartelranden verraadde dat het stamde uit de tijd van kettingpapier en matrixprinters, nog voor Windows en internet, de tijd ook dat ik die vertaling maakte en nog aan het begin van mijn vertaalcarrière stond. Bij het openvouwen zag ik echter al dat het geen gedicht was, maar een kort stuk proza, getiteld De volière van Stevens.

De vierde van vijf tekeningen van Jeroen Henneman

Plotseling zag ik mezelf weer staan in de grote zaal van De Balie in Amsterdam terwijl ik het voorlas. In de tijd dat ik alleen met dat ene gedicht was bezig geweest, had ik me met vier anderen op instigatie van Stichting Perdu ook gestort op Stevens’ grote reeks Notes toward a Supreme Fiction, een centrale cyclus in zijn oeuvre. Wij, Rein Bloem, Onno Kosters, K. Michel, Rob – niet Bob zoals dbnl.org hem abusievelijk noemt – van Rossum en ik, hadden de 32 gedichten onderling verdeeld en haalden elkaars vertalingen net zo lang door de mangel tot we allemaal tevreden waren. Na een jaar of drie kwam daar iets uitrollen wat het daglicht wel kon verdragen, meenden wij en de redactie van De Revisor ook, want die besloot ons werkstuk te publiceren, een heel nummer aan Wallace Stevens te wijden en om Jeroen Henneman te vragen onze Notities te verluchten met enkele tekeningen. Blijkbaar was ik destijds zo gefocust op de tekst dat ik blij verrast werd door Hennemans werk toen ik het Revisor-nummer opensloeg dat ik naast Stevens’ werk in mijn kast had staan. Bovendien werd er een literaire avond rond Wallace Stevens georganiseerd in De Balie bij het Leidseplein en met het mini-lezinkje over Stevens’ volière lichtte ik daar mijn vertaling toe van één van die gedichten, het zesde uit de tweede afdeling ‘Het moet veranderen’, waarin de dichter vreemde klanken ontlokt aan vogels.

De volière van Stevens

Bethou me. Zou een mus dit werkelijk uit zijn snavel kunnen krijgen, vroeg ik me af bij het maken van de eerste vertaling van dit gedicht. Met extra aandacht heb ik nog eens geluisterd naar het frequente gekwetter in de binnentuin waar ik op uitkijk. De enige keer dat mijn vooringenomen oren het meenden te horen was toen Boris, de seniele huiskat, weer eens vanachter het raam naar de vogels zat te mekkeren. BiDOUWmie! Boris is wel ver heen, maar een mus is hij nog steeds niet‚ al kent hij misschien, volgens Stevens, dat verlangen. Geen onomatopee dus kon ik besluiten. En na ‘begij me’ en ‘weesgij mij’ kwam ik uit op drie vette IJen: zijgij mij, aldus Stevens’ kolder onderstrepend.

Verderop in hetzelfde gedicht staat herhaaldelijk een echt klanknabootsend woord. Nu is het met onomatopeeën vreemd gesteld. Als klanknabootsers zouden ze in elke taal eigenlijk gelijkluidend moeten zijn, maar een Engelse hond blaft WOOF. een Nederlandse WAF, en een Zweedse zelfs VAOV. Wat nu te doen met het Amerikaanse ké-ké? Stevens maakt het extra lastig door dit geluid uit minstens drie snavels te laten klinken: die van het wrede winterkoninkje, de snode gaai en het klokkend roodborstje. Op dit punt aangekomen begon ik zo langzamerhand te twijfelen aan Stevens’ kennis der natuur. De gaai is tot heel wat imitaties in staat, maar winterkoninkje en roodborstje zingen toch echt elk, conform het spreekwoord, zoals ze gebekt zijn. Dat komt hier echter niet in Stevens’ kraam van pas en dus zet hij de werkelijkheid weer eens vrolijk naar zijn hand. Ké-ké is wel een onomatopee, maar dan voortgebracht door eenheidsworstvogels die de werkelijkheid zijn ontstegen, al zijn ze van steen. Ik besloot het in alle complexiteit simpel te houden. Alleen de spelling werd Nederlands: kee-kee.

Stevens gebruikt vaak de natuur om de ontoereikendheid van de werkelijkheid gestalte te geven. Onder het begrippenpaar werkelijkheid/verbeelding lijkt het duo natuur/cultuur schuil te gaan. En al zijn er ook lachwekkende cultuurdragers als Generaal Du Puy en Koorheer Aspirine, de natuur komt er niet genadig af. Het is binnen dit bestek helaas onmogelijk om uitgebreid in te gaan op zijn idee van de natuur, maar het is geloof ik een van de problemen die ik heb met Stevens. Zo zet hij de natuur in dit gedicht wel heel stijf in de hoek en in mijn ogen hoort de natuur daar niet thuis. Aan de andere kant doet hij dat weer op zo’n meesterlijke wijze met zo’n droge, laconieke laatste regel, dat ik u de vertaling tot slot niet wil onthouden. 

VI 

Zijgij mij, zei mus, tot het verkreukte blad,
En u, en u, zijgij mij als u fluit,
Als in mijn hakhout u aanschouwt mijn zijn.

Ah, kee! wrede winterkoning, snode gaai,
Kee-kee, stort de roodborst klokkend uit,
Zijgij, zijgij, zijgij mij op mijn tra.

De regen had zulk stompzinnig minstreelschap
En zoveel klepels kleppend zonder klok,
Dat dit zijgij weerklinkt als een hemelse gong,

Eén stem die herhaalt, één onvermoeibare korist,
De frasen van een enkele frase, kee-kee,
Een enkele tekst, monotoon graniet,

Eén enkel gezicht, als een foto van het lot,
Glasblazersfatum, bloedeloze episcopus,
Oog zonder lid, geest verstoken van dromen -

Dit komt van minstreels zonder minstreelschap,
Van een aarde waar het eerste blad vertelt
Van bladeren, waar de mus een vogel is

Van steen, die nooit verandert. Zijgij hem, u
En u, zijgij hem en zijgij. Het is
Een geluid als alle andere. Het houdt op.

Na al die tijd zou er nu vast een andere vertaling ontstaan – zo zou die voor het Nederlands zo vreemde hoofdletter aan het begin van elke regel vermoedelijk verdwijnen – maar de anderen hadden mijn vertaling toch genoeg gemangeld om er een Nederlands gedicht uit te persen.

Laatste tekening van Henneman bij Stevens’ cyclus

In Stevens’ verzamelde gedichten – er bestaat nog een bijna even kloeke Opus Posthumous – vond ik het origineel terug van het gedicht waarnaar ik eigenlijk op zoek was. Mijn vertaling was wat lastiger te vinden. Vreemd genoeg, want de vormgeving maakte het ding juist opvallender. Ik zocht naar een kokertje, net iets groter, langer en steviger dan die van een rol wc-papier. Uiteindelijk vond ik het achter een rij Engelstalige bloemlezingen, samen met een conservenblik dat er blijkbaar ook achter was gerold, de prozaïsch getitelde Poems In A Tin van Sally Crabtree. Dit kwam er uit het kokertje tevoorschijn.

Een gedicht op vitrage. Ik geloof niet dat ik zoiets daarvoor of daarna nog heb gezien. Op de een of andere manier lijkt het zelf afkomstig uit dat stille huis in die kalme wereld. Lees het hieronder strofe voor strofe op de vitragepagina’s.

Er waren maar tachtig exemplaren van gemaakt en ik was benieuwd of ervan dit maaksel uit internetloze tijden iets zou zijn terug te vinden op het wereldwijde web. Zo belandde ik op het blog van Paul van Capelleveen, collectiespecialist Moderne bijzondere gedrukte werken en Boekgeschiedenis bij de KB, die op die site verslag doet van zijn ervaringen als conservator.

colofon – met een spelling die in 1989 nog weleens voorkwam

Aflevering 375 is getiteld Op tafel: Het huis was stil en de wereld kalm en opent zo: ‘Een boek in de brand steken, alleen maar om uit te vinden van welk materiaal het is gemaakt  – dat doen we niet vaak bij de KB, maar nu was het toch noodzakelijk.’ Ik viel bijna van mijn stoel. Was een vertaling van mij in brand gestoken? En dan nog wel door de KB, de behoeder van ons geschreven erfgoed? Ik had de reden wel gelezen, maar was toch vooral verbijsterd. Na een beschrijving van het uitzonderlijke drukwerk kwam de aap uit de mouw. Om te bepalen wat voor stof de vitrage was, is niet het hele ding maar een klein stukje van een van die talrijke rafeldraden verbrand. Zou er alleen as overblijven, dan zou het een natuurlijke stof zijn – linnen, had de antiquaar gezegd bij wie de KB het had aangeschaft. Maar het kleine draadeindje smolt alleen. Een kunststof dus. Had men mij geraadpleegd, dan had ik dat ook kunnen vertellen. Maar niets fijner natuurlijk dan iets doen wat een conservator eigenlijk verboden is. Met als bijkomend gevolg dat wanneer ik nu aan Wallace Stevens denk, mijn hersenen de geur tevoorschijn toveren van een stinkveter.

PS Ik schrijf dit enkele dagen na het overlijden van David Hockney. Ook hij heeft zich een tijd beziggehouden met de poëzie van Wallace Stevens, met name met zijn andere beroemde cyclus, The Man With the Blue Guitar. Lees bijvoorbeeld: https://www.halcyongallery.com/news/197-the-blue-guitar-portfolio-1976-1977-david-hockney/

Verlichting uit het donker

Eén op de zeven mensen schijnt last te hebben van migraine. Dan is het eigenlijk verbazingwekkend dat we zo weinig weten van een aandoening die veel mensen simpelweg uitschakelt wanneer ze er door getroffen worden. Als leek was ik zelf amper op de hoogte van de aard en de gevolgen van migraine. Daar heeft mijn laatste vertaalklus voor Atlas Contact flink verandering in gebracht. De Zweedse psychologe Celia Svedhem schrijft met De donkere kamer ‘een geschiedenis van migraine en de zoektocht naar verlossing’, zoals de ondertitel het zegt.

het voorplat

Dat doet ze aan de hand van haar eigen en andermans ervaringen met de aandoening. Tot die anderman behoort een keur aan schrijvers, wetenschappers, kunstenaars en musici als Virginia Woolf, Lewis Carroll, Charles Darwin, Sigmund Freud, Salvador Dalí, Richard Wagner, de Zweedse thrillerschrijver Arne Dahl en nog vele anderen. Dat resulteert in een openhartig, eerlijk en

Eerst het boek, dan de film

‘Jullie hebben alles / verkeerd begrepen / zei een tienermeisje’. Zo begint The Electric State, mijn deze week verschenen Nederlandse vertaling van het Zweedse Passagen van auteur Simon Stålenhag. (Over de reden voor die Engelse titel straks meer.) Het begint met een gedicht, maar het is geen poëziebundel. Het is ook geen proza. Die beginregels namen me wel meteen in voor boek en auteur want ze zijn afkomstig van Bruno K. Öijer, inmiddels de eminence grise et terrible van de Zweedse poëzie van wie ik in de jaren negentig al eens een kleine selectie vertaalde voor De Gids.

pagina 22 en 23 waarop het omslag ook is gebaseerd

Zulke pagina’s zie je als je dit boek openslaat. De term ‘graphic novel’ is tegenwoordig in zwang, maar je zou het ook een prentenboek kunnen noemen, al roept dat associaties op met een voorleesboek voor kleine kinderen en dat is dit niet. Hoe het precies heet, maakt ook weinig uit. Het is een soort roadmovie in tekst en beeld, een kloek boek waarin het beeld de meeste ruimte opeist, maar de tekst nog bepalender is voor de kijkervaring dan de beelden voor de leeservaring. En die twee ervaringen maken samen een blijvende indruk.

De tekst staat steeds apart van de beelden, losse stukjes zwart op wit, waarin het verhaal van het hoofdpersonage, een tienermeisje met al een flink verleden, niet alleen achtergrond aan de roadtrip geeft, maar ook aan haarzelf, waardoor er een laag aan het beeldverhaal wordt toegevoegd die nergens zichtbaar is. En zo zijn er omgekeerd zo nu en dan juist dingen zichtbaar die iets aan het verhaal van de tekst toevoegen. Soms is de tekst wit op zwart. Dan is er een anonieme verteller aan het woord die vanuit zijn eigen gezichtspunt een blik op de geschiedenis geeft van de wereld in het boek, een Amerika dat op het onze lijkt, maar waarin virtual reality en AI een al veel verdergaande, fnuikende invloed hebben gehad. Aan het eind is de enige tekst nog een hoofdstuktitel en is het verder aan de beelden om het meerduidige slot te vertellen.

omslag van de Nederlandse editie

Stålenhag schetst ‘met fijngevoeligheid en empathie een jong persoon in haar eigen woorden, gedachten en verhaal. Zijn hand en stem vormen een geheel dat uniek is. Het is het verhaal in beeld en woord, de vervlechting van die twee, die de lezer van begin tot eind boeit. Stålenhag is een meester in de kunst van het vertellen van een verhaal in fragmenten. Stukje bij beetje komen de wereld, de plot en de protagonist naar voren uit de korte teksten die de beelden begeleiden,’ schrijft de recensent van het Zweedse LitteraturMagazinet. En dat resulteert in een prachtig samengaan van taal en tekening, in een onroerend verhaal dat je bijblijft.

Deze week is op Netflix ook de film The Electric State verschenen. Dat is de titel van de Engelse vertaling uit 2018 van Stålenhags boek waar de film op is gebaseerd. Het Zweedse ‘passagen’ van de oorspronkelijke titel laat zich vaak wel vertalen als ‘the passage’ en ‘de passage’, maar heeft toch een aantal bijbetekenissen die hier meespelen en zich niet zo makkelijk onder één noemer laten vangen. Dus is de keuze voor een andere titel niet zo vreemd. Uitgeverij Lebowski wilde ook de link tussen boek en film graag in stand houden en koos voor deze ene keer dus voor een Engelse titel.

Het is niet zo vreemd dat er een film op dit boek is gebaseerd. Ik noemde het eerder al een roadmovie omdat het ook aandoet als een verzameling stills uit een film. Toch vertellen boek en film niet hetzelfde verhaal en ook de wijze van vertellen is een andere. Het boek is een klein verhaal dat zich afspeelt in een grote vervreemdende wereld. De film is een veel groter verhaal met meer personages in een vooral grappige wereld. Dat is niet zo zeer een kwestie van het verschil in medium, maar van keuzes van de makers. Dat hoeft geen enkel probleem te zijn. Een verfilming hoeft niet een zo getrouw mogelijke afspiegeling van het boek te zijn. Een verfilming moet vooral een goede film zijn.

In dit geval lijkt het verschil tussen beide op dat tussen een strijkkwartet en een musical. Het is verleidelijk om het te benoemen als een verschil tussen Europese kunst en Amerikaans amusement, maar dat veralgemeniseert het te veel. In het boek wordt heel geleidelijk duidelijk wie Michelle, het tienermeisje, is, in welke wereld ze leeft, waarom ze onderweg is en waarom met een robot. In de film wordt dat al heel snel uit de doeken gedaan. Daarom is de titel boven dit stuk ook een advies om eerst het boek te lezen en dan pas de film te kijken. Dat is misschien in het algemeen al aan te raden omdat je dan als lezer je eigen beelden kunt vormen en ze niet al ingevuld worden door beelden uit de film. Maar in dit geval rijdt de film het verhaal van het boek ook in de wielen door meteen weg te geven wat je als lezer langzaamaan ontdekt.

pagina 104 en 105

Opvallend is dat Michelle in het boek een veel minder braaf verleden heeft dan in de film. Het heeft er ook alle schijn van dat de filmmakers het niet aandurfden om de hoofdpersoon lesbisch te laten zijn, terwijl ze in het boek zich graag laat zoenen door een vriendin. Het hele verhaal en de teneur van het boek zijn verontrustender dan de film die toch vooral een zoveelste variatie binnen een bekend genre lijkt. De diepte die zich in het boek steeds onder het oppervlak doet vermoeden, lijkt in de film totaal verdwenen.

Dit klinkt misschien als een vertaler die te veel verknocht is aan zijn boek, maar zo lovend als het boek is ontvangen, zo weinig laten de besprekingen heel van de film. Men spreekt van een misbaksel en vraagt zich af hoe Netflix 320 miljoen dollar er zo zielloos doorheen heeft kunnen jagen. Ik hoop kortom dat ik veel meer boeken van Simon Stålenhag zal kunnen vertalen en dat een volgende verfilming een andere scenarioschrijver en regisseur zal krijgen.

Als je hier klikt, kun je de allereerste foto downloaden in een formaat waarin de tekst ook leesbaar is. Aan het eind vertelt Michelle iets over een jongetje dat ze tegenkomt. Dat tafereel en dialoogje vormen een goed voorbeeld van het verschil tussen boek en film. In de film zou je zoiets nooit tegenkomen en dat is een gemis.

achterplat (detail)

Vertalen in het kwadraat

Terugkijkend naar de vertalingen van mijn hand die in 2024 zijn verschenen en wat ik hier daarover heb geschreven, constateer ik dat er twee schrijvers ontbreken terwijl ik van een van die twee wel vier teksten heb vertaald. Eerst de andere.

György Klein (Boedapest 1925 – Stockholm 2016) wist als Hongaarse Jood ternauwernood te ontsnappen aan transport naar Auschwitz. Na de oorlog belandde hij in Zweden en werd hij Georg, beroemd kankeronderzoeker en Zweeds essayist, waardoor hij ook George werd toen het buitenland hem leerde kennen.

Georg Klein (foto: Bengt Oberger)

Klein schreef 35 jaar geleden een belangwekkend, uitgebreid essay waarin hij de Shoah probeert te vertalen in wat die voor ons vandaag betekent, aan de hand van ontmoetingen met bekende overlevenden van de vernietigingskampen en de gewapende strijd, Orwells Room 101 en de vraag wanneer hij zelf zich zou laten verleiden tot ontmenselijking van de ander. Ik mocht het onder de titel ‘De aanhoudende ontzetting van de hellevaarder’ vertalen voor Gedachten die niet verloren mogen gaan, nummer 97 van het cultuurfilosofisch tijdschrift Nexus.

De schrijver van wie ik in 2024 vier teksten vertaalde en in 2023 al vijf, is een vertaler. Hij heeft weliswaar een verhalenbundel en een roman op zijn naam staan, maar de teksten die ik heb vertaald, schreef David Colmer omdat hij zich ontwikkeld heeft tot een eminente vertaler uit het Nederlands in het Engels van romans, kinderboeken én gedichten. Hij heeft een ontzagwekkende reeks Nederlandse dichters vertaald, van Annie M.G. Schmidt tot Menno Wigman, van Paul van Ostaijen tot K. Michel, van Hugo Claus tot Nachoem Wijnberg en van Nijhoff tot Nasr. En dat vertaalwerk is geregeld bekroond met nationale en internationale prijzen.

David Colmer – foto: Ronald Hoeben
(voor het achterplat van de verhalenbundel Op de verkeerde plek)

Een paar jaar terug vatte hij het plan op voor een aantal korte stukken over die poëzievertalingen, die per keer een ander aspect van het vertalen van gedichten belichten. Dat vond Filter, tijdschrijft over vertalen, een goed plan en dus verscheen vanaf begin 2023 in elk nummer een column van Colmer over het vertalen van poëzie, voorlopig eindigend in het laatste nummer van 2024 met  een stuk over ‘Een cadeau van de taal’ bij het vertalen van een gedicht van Radna Fabias. Om die artikelen dezelfde finesse te geven als zijn vertalingen schreef hij ze in het Engels en omdat ik al eerder zijn nawoord bij zijn vertaling van Fabias’ Habitus had vertaald, heb ik met hetzelfde plezier deze artikelen vertaald.

Op de site van Filter zijn als voorproefje steeds de eerste alinea’s te lezen (te beginnen bij Siberië 3-8). Waar dit vertaalavontuur eindigt, is nog niet duidelijk. Misschien komt er wel een boek en ga ik nog veel meer Colmer vertalen. Ik hoop het.

Crème du crime

In mijn ondertiteljaren heb ik een flink deel van mijn inkomsten vergaard met criminaliteit. Maar dan zoals geportretteerd in een hele reeks Zweedse misdaadseries en -films. Dat begon al in de jaren negentig met de eerste verfilmingen van de inmiddels klassieke reeks van Sjöwall & Wahlöö en een van de laatste series die ik heb ondertiteld was de recente reeks over Martin Beck, gebaseerd op hetzelfde personage uit die boeken van het schrijversduo. Ik schat dat zo’n negen van de tien Zweedse thrillerfilms en -series gebaseerd zijn op een boek of een personage uit een boek. Ik heb verfilmingen vertaald van Henning Mankell, Jan Guillou, Camilla Läckberg, Arne Dahl, Åsa Larsson en zo kan ik nog wel even doorgaan.

Maar nu heb ik voor House of Books voor het eerst een boek uit dat genre vertaald, De bergkoning, van de veel gelezen en geprezen Anders de la Motte. Hij schreef al allerlei succesvolle thrillers en is een nieuwe serie begonnen over ene Leonore Asker, die vrijwel iedereen Leo noemt. Ze is rechercheur bij de politie van Malmö en heeft een op zijn zachtst gezegd vrij merkwaardig verleden dat haar nog weleens parten speelt, maar ook vaak helpt bij haar werk, waarin ze juist weer wordt tegengewerkt door sommige collega’s. Meer zal ik niet verklappen. Op hebban.nl wordt het in een bespreking al ‘de thriller van het jaar’ genoemd.

De la Motte vertelt zijn verhaal vanuit de belangrijkste personages, per kort hoofdstuk wisselt het perspectief. Om een indruk te geven laat ik hieronder een hoofdstukje volgen.  

Terug op haar kantoorkamer zit Asker zwijgend met gesloten ogen op haar stoel. Haalt langzaam adem, zodat de ergste woede tot bedaren komt. Volgens haar polshorloge duurt het vijf minuten en veertien seconden voor ze weer helder kan denken.
            Dit is allemaal natuurlijk Hellmans werk.
            Maar hij wordt niet zo betrouwbaar gevonden dat hij zich direct tot de hoofdcommissaris kan wenden om te vragen haar van de zaak te halen, zeker niet met hun geschiedenis. Dus moet er iemand anders aan de touwtjes hebben getrokken. Iemand met voldoende macht, contacten en gewicht. Een kruising tussen een Brits monarch en een mensenhaai.
            Asker pakt haar telefoon. Haar moeder neemt op bij het tweede belsignaal.
            ‘Isabel Lissander.’
            Ze noemt haar voor- en achternaam ondanks dat ze heeft gezien wie er belt. Haar stem is koel, zakelijk.
            Asker besluit de beleefdheidsfrasen te skippen. ‘Jij hebt mij van de zaak Holst af laten halen.’
            Een constatering, geen vraag.
            Korte stilte.
            ‘Af laten halen? Voor zover ik het heb begrepen ben je bevorderd. Afdelingschef, dat is toch een treetje hoger?’
            ‘Lulkoek. Ik ben van het onderzoek afgehaald omdat ik stelling nam tegen Jonas Hellman. Wist je dat ik hem had aangegeven?’
            Opnieuw stilte. Haar moeder heeft het pauzeren tot een kunst verheven. Elk onderbrekinkje fijngeslepen tot een vlijmscherp steekwapen.
            ‘Jawel, ik ben op de hoogte van jullie persoonlijke conflict,’ zegt ze overdreven traag.
            ‘Conflict. Hij heeft mij voortdurend lastiggevallen en geprobeerd te intimideren toen ik het uitmaakte met hem.’
            Stilte weer. Asker probeert haar woede weg te slikken.
            ‘De versie die ik gepresenteerd heb gekregen is dat jullie een aantal jaar geleden een korte relatie hebben gehad, hoewel Jonas Hellman getrouwd was…’
            Een vierde vlijmscherpe pauze die de zwakke plek in haar harnas vindt.
            ‘Hellman stelt dat toen hij vanwege een slecht geweten jullie affairetje beëindigde, jij een klacht tegen hem indiende bij personeelszaken,’ gaat haar moeder verder. ‘Ik heb kennisgenomen van dat onderzoek. Daaruit bleek dat Hellman zich weliswaar ongepast had gedragen, maar geen formele fouten had begaan. De paar getuigen die iets wilden verklaren, steunden eerder zijn versie dan die van jou. Hellman is desondanks direct overgeplaatst naar de NOA in Stockholm. Op eigen verzoek omdat hij zijn gezin weg bij jou wilde hebben.’
            Askers hoofd ontploft bijna. Ze haalt heel diep adem, probeert zichzelf in toom te houden.
            ‘Zo ging het helemaal niet,’ zegt ze geforceerd beheerst. ‘Hellman viel me op het werk en thuis lastig en probeerde me te intimideren. Hij en zijn kliekje deden hun best om mij van de afdeling te treiteren.’
            ‘Des te beter dan dat jullie niet aan dezelfde zaak werken,’ onderbreekt haar moeder haar. ‘Niet in het minst voor die arme Smilla Holst. Het is ondanks alles haar welzijn dat voorop moet staan, toch? En Jonas Hellman is een hooggekwalificeerde en heel bekwame politieman.’
            Een nieuwe pauze die haar direct op de strot raakt.
            Asker wil protesteren dat er feitelijk twee mensen worden vermist. Dat Hellman zich al heeft vastgepind op een onbevestigde theorie en daarmee het leven van beide slachtoffers op het spel zet. Maar de woede verlamt haar tong.
            ‘Je hebt een nieuwe taak gekregen,’ vat haar moeder het afgemeten samen. ‘Als afdelingschef, ver weg van je zogenaamde kwelgeest. Ik snap eerlijk gezegd niet wat je te klagen hebt.’
            ‘Dus dit is niet jouw kleinzielige manier om mij te straffen?’ Asker zou die deur dicht moeten laten zitten, maar ze laat zich overhalen door de woede.
            Isabels stem wordt ijskoud, wat aantoont dat ze het bij het rechte eind heeft. ‘Ik weet niet waar je het over hebt.’
            ‘Niet? Dus je vindt het prima dat ik én geen advocaat wil worden én niet bij jouw firma wil werken? Dat is dan voor het eerst.’
            Haar beurt voor de aanvalspauze. Ze kan het niet helemaal zo goed als haar moeder, maar goed genoeg om bloed te laten vloeien.
            ‘Ik moet ons gesprek helaas nu beëindigen,’ zegt haar moeder kortaf. ‘Zorg goed voor jezelf, Leonore.’
            Het is onduidelijk wie er het eerst ophangt.
            Asker hoopte in stilte te kunnen wegsluipen, heeft op een moment gewacht dat de gang leeg was. Maar natuurlijk hebben ze voor haar op de loer gelegen. Zodra ze een voet buiten haar kantoor zet, stroomt de gang vol mensen, met Eskil en zijn hulptroepen voorop.
            Hun meester is teruggekeerd uit zijn ballingschap en iedereen is in een opperbest humeur.
            Ze leunen tegen muren en deurposten. Lachen en praten hardop met elkaar, doen alsof ze er niet is terwijl ze tegelijkertijd vol leedvermaak haar gang naar Canossa gadeslaan vanuit hun ooghoeken.
            Asker zegt niets, houdt alleen haar hoofd rechtop en kijkt recht voor zich uit.
            Blijft vervolgens staan met hun blikken brandend in haar rug terwijl de lift veel te lang op zich laat wachten.
            ‘Karma is a bitch,’ sist Eskil, vlak voor de liftdeuren weer achter haar dichtslaan.

Wie het boek bevalt, kan zich vast op meer verheugen, want ik ben inmiddels het vervolg aan het vertalen.