Kartelranden en rafeldraden

De KB, onze nationale bibliotheek, heeft een vertaling van mij in brand gestoken, heb ik onlangs ontdekt. Maar laat ik bij het begin beginnen, want er dook meer onvermoeds op. De afgelopen maanden heb ik me verdiept in het vertaalwerk van Bernlef, waarover later dit jaar meer, en die citeert in een stuk over de Amerikaanse dichter Wallace Stevens Peter Nijmeijers vertaling van het gedicht ‘The House Was Quiet and the World Was Calm’. Aangezien ik dat ruim dertig jaar geleden ook heb vertaald, besloot ik het origineel erbij te pakken en eens te kijken of ik die vertaling terug kon vinden. Toen ik Stevens’ Collected Poems uit de kast pakte en opensloeg viel daar een opgevouwen papier uit dat met zijn kartelranden verraadde dat het stamde uit de tijd van kettingpapier en matrixprinters, nog voor Windows en internet, de tijd ook dat ik die vertaling maakte en nog aan het begin van mijn vertaalcarrière stond. Bij het openvouwen zag ik echter al dat het geen gedicht was, maar een kort stuk proza, getiteld De volière van Stevens.

De vierde van vijf tekeningen van Jeroen Henneman

Plotseling zag ik mezelf weer staan in de grote zaal van De Balie in Amsterdam terwijl ik het voorlas. In de tijd dat ik alleen met dat ene gedicht was bezig geweest, had ik me met vier anderen op instigatie van Stichting Perdu ook gestort op Stevens’ grote reeks Notes toward a Supreme Fiction, een centrale cyclus in zijn oeuvre. Wij, Rein Bloem, Onno Kosters, K. Michel, Rob – niet Bob zoals dbnl.org hem abusievelijk noemt – van Rossum en ik, hadden de 32 gedichten onderling verdeeld en haalden elkaars vertalingen net zo lang door de mangel tot we allemaal tevreden waren. Na een jaar of drie kwam daar iets uitrollen wat het daglicht wel kon verdragen, meenden wij en de redactie van De Revisor ook, want die besloot ons werkstuk te publiceren, een heel nummer aan Wallace Stevens te wijden en om Jeroen Henneman te vragen onze Notities te verluchten met enkele tekeningen. Blijkbaar was ik destijds zo gefocust op de tekst dat ik blij verrast werd door Hennemans werk toen ik het Revisor-nummer opensloeg dat ik naast Stevens’ werk in mijn kast had staan. Bovendien werd er een literaire avond rond Wallace Stevens georganiseerd in De Balie bij het Leidseplein en met het mini-lezinkje over Stevens’ volière lichtte ik daar mijn vertaling toe van één van die gedichten, het zesde uit de tweede afdeling ‘Het moet veranderen’, waarin de dichter vreemde klanken ontlokt aan vogels.

De volière van Stevens

Bethou me. Zou een mus dit werkelijk uit zijn snavel kunnen krijgen, vroeg ik me af bij het maken van de eerste vertaling van dit gedicht. Met extra aandacht heb ik nog eens geluisterd naar het frequente gekwetter in de binnentuin waar ik op uitkijk. De enige keer dat mijn vooringenomen oren het meenden te horen was toen Boris, de seniele huiskat, weer eens vanachter het raam naar de vogels zat te mekkeren. BiDOUWmie! Boris is wel ver heen, maar een mus is hij nog steeds niet‚ al kent hij misschien, volgens Stevens, dat verlangen. Geen onomatopee dus kon ik besluiten. En na ‘begij me’ en ‘weesgij mij’ kwam ik uit op drie vette IJen: zijgij mij, aldus Stevens’ kolder onderstrepend.

Verderop in hetzelfde gedicht staat herhaaldelijk een echt klanknabootsend woord. Nu is het met onomatopeeën vreemd gesteld. Als klanknabootsers zouden ze in elke taal eigenlijk gelijkluidend moeten zijn, maar een Engelse hond blaft WOOF. een Nederlandse WAF, en een Zweedse zelfs VAOV. Wat nu te doen met het Amerikaanse ké-ké? Stevens maakt het extra lastig door dit geluid uit minstens drie snavels te laten klinken: die van het wrede winterkoninkje, de snode gaai en het klokkend roodborstje. Op dit punt aangekomen begon ik zo langzamerhand te twijfelen aan Stevens’ kennis der natuur. De gaai is tot heel wat imitaties in staat, maar winterkoninkje en roodborstje zingen toch echt elk, conform het spreekwoord, zoals ze gebekt zijn. Dat komt hier echter niet in Stevens’ kraam van pas en dus zet hij de werkelijkheid weer eens vrolijk naar zijn hand. Ké-ké is wel een onomatopee, maar dan voortgebracht door eenheidsworstvogels die de werkelijkheid zijn ontstegen, al zijn ze van steen. Ik besloot het in alle complexiteit simpel te houden. Alleen de spelling werd Nederlands: kee-kee.

Stevens gebruikt vaak de natuur om de ontoereikendheid van de werkelijkheid gestalte te geven. Onder het begrippenpaar werkelijkheid/verbeelding lijkt het duo natuur/cultuur schuil te gaan. En al zijn er ook lachwekkende cultuurdragers als Generaal Du Puy en Koorheer Aspirine, de natuur komt er niet genadig af. Het is binnen dit bestek helaas onmogelijk om uitgebreid in te gaan op zijn idee van de natuur, maar het is geloof ik een van de problemen die ik heb met Stevens. Zo zet hij de natuur in dit gedicht wel heel stijf in de hoek en in mijn ogen hoort de natuur daar niet thuis. Aan de andere kant doet hij dat weer op zo’n meesterlijke wijze met zo’n droge, laconieke laatste regel, dat ik u de vertaling tot slot niet wil onthouden. 

VI 

Zijgij mij, zei mus, tot het verkreukte blad,
En u, en u, zijgij mij als u fluit,
Als in mijn hakhout u aanschouwt mijn zijn.

Ah, kee! wrede winterkoning, snode gaai,
Kee-kee, stort de roodborst klokkend uit,
Zijgij, zijgij, zijgij mij op mijn tra.

De regen had zulk stompzinnig minstreelschap
En zoveel klepels kleppend zonder klok,
Dat dit zijgij weerklinkt als een hemelse gong,

Eén stem die herhaalt, één onvermoeibare korist,
De frasen van een enkele frase, kee-kee,
Een enkele tekst, monotoon graniet,

Eén enkel gezicht, als een foto van het lot,
Glasblazersfatum, bloedeloze episcopus,
Oog zonder lid, geest verstoken van dromen -

Dit komt van minstreels zonder minstreelschap,
Van een aarde waar het eerste blad vertelt
Van bladeren, waar de mus een vogel is

Van steen, die nooit verandert. Zijgij hem, u
En u, zijgij hem en zijgij. Het is
Een geluid als alle andere. Het houdt op.

Na al die tijd zou er nu vast een andere vertaling ontstaan – zo zou die voor het Nederlands zo vreemde hoofdletter aan het begin van elke regel vermoedelijk verdwijnen – maar de anderen hadden mijn vertaling toch genoeg gemangeld om er een Nederlands gedicht uit te persen.

Laatste tekening van Henneman bij Stevens’ cyclus

In Stevens’ verzamelde gedichten – er bestaat nog een bijna even kloeke Opus Posthumous – vond ik het origineel terug van het gedicht waarnaar ik eigenlijk op zoek was. Mijn vertaling was wat lastiger te vinden. Vreemd genoeg, want de vormgeving maakte het ding juist opvallender. Ik zocht naar een kokertje, net iets groter, langer en steviger dan die van een rol wc-papier. Uiteindelijk vond ik het achter een rij Engelstalige bloemlezingen, samen met een conservenblik dat er blijkbaar ook achter was gerold, de prozaïsch getitelde Poems In A Tin van Sally Crabtree. Dit kwam er uit het kokertje tevoorschijn.

Een gedicht op vitrage. Ik geloof niet dat ik zoiets daarvoor of daarna nog heb gezien. Op de een of andere manier lijkt het zelf afkomstig uit dat stille huis in die kalme wereld. Lees het hieronder strofe voor strofe op de vitragepagina’s.

Er waren maar tachtig exemplaren van gemaakt en ik was benieuwd of ervan dit maaksel uit internetloze tijden iets zou zijn terug te vinden op het wereldwijde web. Zo belandde ik op het blog van Paul van Capelleveen, collectiespecialist Moderne bijzondere gedrukte werken en Boekgeschiedenis bij de KB, die op die site verslag doet van zijn ervaringen als conservator.

colofon – met een spelling die in 1989 nog weleens voorkwam

Aflevering 375 is getiteld Op tafel: Het huis was stil en de wereld kalm en opent zo: ‘Een boek in de brand steken, alleen maar om uit te vinden van welk materiaal het is gemaakt  – dat doen we niet vaak bij de KB, maar nu was het toch noodzakelijk.’ Ik viel bijna van mijn stoel. Was een vertaling van mij in brand gestoken? En dan nog wel door de KB, de behoeder van ons geschreven erfgoed? Ik had de reden wel gelezen, maar was toch vooral verbijsterd. Na een beschrijving van het uitzonderlijke drukwerk kwam de aap uit de mouw. Om te bepalen wat voor stof de vitrage was, is niet het hele ding maar een klein stukje van een van die talrijke rafeldraden verbrand. Zou er alleen as overblijven, dan zou het een natuurlijke stof zijn – linnen, had de antiquaar gezegd bij wie de KB het had aangeschaft. Maar het kleine draadeindje smolt alleen. Een kunststof dus. Had men mij geraadpleegd, dan had ik dat ook kunnen vertellen. Maar niets fijner natuurlijk dan iets doen wat een conservator eigenlijk verboden is. Met als bijkomend gevolg dat wanneer ik nu aan Wallace Stevens denk, mijn hersenen de geur tevoorschijn toveren van een stinkveter.

PS Ik schrijf dit enkele dagen na het overlijden van David Hockney. Ook hij heeft zich een tijd beziggehouden met de poëzie van Wallace Stevens, met name met zijn andere beroemde cyclus, The Man With the Blue Guitar. Lees bijvoorbeeld: https://www.halcyongallery.com/news/197-the-blue-guitar-portfolio-1976-1977-david-hockney/

Verlichting uit het donker

Eén op de zeven mensen schijnt last te hebben van migraine. Dan is het eigenlijk verbazingwekkend dat we zo weinig weten van een aandoening die veel mensen simpelweg uitschakelt wanneer ze er door getroffen worden. Als leek was ik zelf amper op de hoogte van de aard en de gevolgen van migraine. Daar heeft mijn laatste vertaalklus voor Atlas Contact flink verandering in gebracht. De Zweedse psychologe Celia Svedhem schrijft met De donkere kamer ‘een geschiedenis van migraine en de zoektocht naar verlossing’, zoals de ondertitel het zegt.

het voorplat

Dat doet ze aan de hand van haar eigen en andermans ervaringen met de aandoening. Tot die anderman behoort een keur aan schrijvers, wetenschappers, kunstenaars en musici als Virginia Woolf, Lewis Carroll, Charles Darwin, Sigmund Freud, Salvador Dalí, Richard Wagner, de Zweedse thrillerschrijver Arne Dahl en nog vele anderen. Dat resulteert in een openhartig, eerlijk en

Een zusterschip

Alle schetsen willen werkelijkheid worden. Haast veertig jaar geleden is het al dat ik een zinnetje uit het prozagedicht ‘Det blå huset’ van Tomas Tranströmer als motto gebruikte voor een eigen gedicht. Dat blauwe huis is me altijd blijven vergezellen.

Bijna tegelijkertijd kreeg ik dit jaar het verzoek om iets te schrijven voor het nieuwe nummer van Filter, tijdschrift over vertalen, en om iets over vertalen te komen vertellen bij het lustrum van Nordom, de Amsterdamse studievereniging voor scandinavistiek. Die combinatie deed me dat huis weer betreden en nu werd het tijd het ook maar eens zelf in te richten, dat wil zeggen te vertalen.

Van wat ik voor Filter schreef, Van een domme fout tot een blauw huis, is het begin terug te vinden op de site van het tijdschrift. Het stuk eindigt met maar liefst twaalf versies van ‘Det blå huset’ in tien talen, met Bernlefs versie, die voor mij de eerste was, als eerste en als laatste mijn eigen kakelverse vertaling die misschien ook anderen kan vergezellen:

Het blauwe huis
Tomas Tranströmer

Het is nacht en de zon schijnt. Vanuit het dichte bos sta ik naar mijn huis te kijken met zijn nevelblauwe muren. Alsof ik nog maar pas dood ben en het huis vanuit een nieuwe hoek zie.
                Het staat er al ruim tachtig zomers. Het hout is geïmpregneerd met vier lagen blijdschap en drie lagen verdriet. Wanneer iemand sterft die in het huis woont, wordt het overgeschilderd. De dode schildert zelf, zonder kwast, van binnenuit.
          Aan de andere kant ligt open terrein. Vroeger een tuin, nu verwilderd. Stilstaande stortzeeën van onkruid, pagodes van onkruid, aanrollende tekst, oepanisjaden van onkruid, een Vikingvloot van onkruid, de drakenkoppen, lansen, een onkruidimperium!
                Over de verwilderde tuin wentelwiekt de schaduw van een boemerang die keer op keer wordt geworpen. Dat houdt verband met iemand die lang voor mijn tijd in het huis heeft gewoond. Een kind haast. Van hem gaat een impuls uit, een gedachte, een wilsgedachte: “scheppen . . . tekenen . . .” Om aan zijn lot te ontsnappen.
                Het huis lijkt op een kindertekening. Een plaatsvervangende kinderlijkheid die opkwam omdat iemand te vroeg de opdracht in de wind sloeg kind te zijn. Open de deur, stap naar binnen! Hier huist de onrust in het gebinte en vrede in de muren. Boven het bed hangt een zondagsschilderij dat een schip voorstelt met zeventien zeilen, bruisende branding en een wind die zich door de vergulde lijst niet laat stoppen.
                Het is altijd heel vroeg hier binnen, nog voor de tweesprong, voor de onherroepelijke keuzes. Bedankt voor dit leven! Toch mis ik de andere mogelijkheden. Alle schetsen willen werkelijkheid worden.
                Een motor rekt ver weg op het water de zomernachthorizon uit. Blijdschap en verdriet wellen op in het vergrootglas van de dauw. We weten het eigenlijk niet, maar vermoeden het: ons leven kent een zusterschip dat een heel andere route vaart. Terwijl de zon brandt achter de eilanden.

© 2025 Nederlandse vertaling Hans Kloos

Meer Tranströmer op hanskloos.nl

Het verband tussen genocide en megabranden

Op de plaats van het woord ‘genocide’ kunnen meer woorden staan die je daar misschien niet direct zou verwachten, bijvoorbeeld ‘natuurbehoud’ en ‘Linnaeus’. Het komt allemaal aan bod in het boek dat ik onlangs voor uitgeverij Pluim heb vertaald: Als alles brandt van Jordan Thomas. De schrijver is antropoloog en ‘hotshot’, zoals de enigszins komische benaming luidt van een lid van de elite van de Amerikaanse brandweer, de mensen die elke keer in de frontlinie van de natuurbrandbestrijding zijn te vinden.

Jordan Thomas, hotshot, antropoloog, schrijver

Thomas vertelt hoe hij hotshot wordt en het hem vergaat in een jaar dat hem zwaarder op de proef stelt dan hij heeft gedacht. Tussen alle verhalen over de megabranden in Californië schetst hij hoe ze hebben kunnen ontstaan, welke factoren en groepen mensen daarin een rol hebben gespeeld en wat er misschien nog aan te doen is. Bij het ontstaan is een grote rol weggelegd voor de in Nederland vermoed ik vrij onbekende Californische genocide door eerst de Spaanse overheerser en daarna de Amerikaanse kolonisten. De inheemse bevolking beheerde het Californische landschap namelijk zeer zorgvuldig waardoor er geen megabranden konden ontstaan. Dat deden ze met een ook al onverwacht middel: branden. Toen die bevolking letterlijk gedecimeerd was, kregen de altijd opduikende natuurbranden vrij spel.

Hoe dat precies zit, ontdek je als je Als alles brandt leest dat vol staat met zulke verrassende lijnen door de geschiedenis die allemaal samenkomen in het heden waar het schier onmogelijk lijkt de megabranden en aanjager nummer één, klimaatverandering, nog een halt toe te roepen. Maar Thomas schetst ook mogelijkheden die een catastrofale toekomst misschien nog (deels) kunnen afwenden. En dat allemaal in een boek dat volgens de Washington Post ‘met hartstocht wordt verteld, feilloos is onderzocht en van groot belang is. (…) Thomas’ gedetailleerde beschrijvingen van het slopende kapwerk en de vrijwel constant levensbedreigende omstandigheden zijn meeslepend, maar de werkelijk kracht van het boek schuilt in de systematische, scherpzinnige en overtuigende verklaring van hoe we überhaupt in deze situatie zijn beland – in een wereld waar megabranden onvermijdelijk en onhoudbaar voortwoeden en elke woonplaats en ecosysteem op hun pad vernietigen.’

Als voorproefje de opmaat tot Thomas’ hotshotschap, als hij nog bij de gewone natuurbrandweer zit en de opdracht krijgt lopend een medische uitrusting een berg op te brengen voor de evacuatie van een gewonde hotshot die onbereikbaar is voor een traumahelikopter. Gevolgd door het begin van het verhaal van Omer Stewart die als eerste onderzoeker begon door te krijgen wat er allemaal speelde.

Ik begon aan de helling en het rennen werd klauteren. Met één hand zwaaide ik de stalen hak over mijn hoofd, diep in het zand, ik pakte een rots beet met mijn andere hand en trok mezelf op door de stoplijn. Ik klom langs de Scorpions, een team dat zijn tijd verdeelt tussen werken op het land en branden bestrijden. Ze lieten mariachimuziek uit hun telefoons schetteren en moedigden me aan. Ik kwam langs een ander team waarvan de leden klopjes op mijn rug gaven en me vertelden dat ik er bijna was. Mijn handpalm bloedde, die had ik opengehaald aan een rots, maar ik merkte het amper. Mijn zicht vernauwde zich tot de dennen daarboven die met elke stap groter leken te worden.

Toen ik de top naderde, leek de vuurzuil te gloeien in de zonsondergang, alsof hij van binnenuit brandde. De bergen waren zwarte piramides in een werveling van kleuren. Mijn gedachten leken los te staan van mijn lichaam. Nog even en ik zou waanideeën krijgen. Toen de helikopter weer naderde, vroeg ik me af of die me op zou hijsen om me weg te vliegen. Maar hij deed nog één vergeefse poging. Ik was nu zo dichtbij dat ik de bomen kon zien beven voordat de helikopter weer wegschoot.

De hotshots stonden op de bergtop op me te wachten. De gewonde lag op de grond met een bleek gezicht, rommelig donker haar en bange bruine ogen. Een hotshot knikte me toe en haalde de medische uitrusting van mijn rug. Een ander meldde via de portofoon aan hun leider dat ik het had gehaald. Mijn eigen team was een verzameling stipjes daar beneden. Ik zat op een stam te proberen mijn ademhaling weer rustig te krijgen en te kijken hoe de horizon kromp en uitdijde op mijn polsslag totdat alles tot bedaren kwam.

Maar er was geen tijd te verliezen. Toen de hotshots de gewonde op een brancard tilden, stortte ik me half verdoofd en hallucinerend de helling af het donker in waar ik me bij mijn team voegde om een pad vrij te maken voor de hotshots die de man door het bos omlaag droegen. In het avondduister wierp mijn hoofdlamp monsterlijke schaduwen die tussen de bomen op ons loerden. Ik viel met mijn zaag de takken aan en zij gingen mij te lijf totdat ik in een plas wit licht belandde op een open stuk vlakke, harde grond.

De leider van de hotshots stond op de weg. Een silhouet in het schijnsel van koplampen. Zijn gezicht was van roet. Om zijn mond speelde diezelfde geamuseerde grimas. Zijn ogen waren op mij gericht. Toen ik naar hem toe liep, vroeg hij of ik er weleens over na had gedacht om hotshot te worden.

Ik probeerde rechtop te staan, maar mijn lichaam wilde in elkaar kruipen tot een staande foetushouding. Ik kon me niet voorstellen dat ik dit een halfjaar non-stop deed.

Met het laatste restje kracht dat ik nog in me had, vertelde ik hem dat ik inderdaad hotshot wilde worden. De hotshot gaf me een hand en nodigde me uit voor een sollicitatiegesprek.

Ongeveer een eeuw voor mijn sollicitatie bij Aoki begon een andere antropoloog aan een avontuur om branden in Californië te leren begrijpen. Maar het waren niet zozeer de vuurzeeën die Omer Stewart voor een raadsel stelden toen hij in de jaren dertig aan het promoveren was aan Berkeley. Het was de afwezigheid daarvan. Er waren geen vuurzeeën, of in ieder geval niet van een omvang als de hedendaagse. De afwezigheid van branden in Californië was in tegenspraak met alles wat Omer op grond van zijn onderzoek verwachtte, namelijk dat Californië elk jaar vrijwel overal in brand zou staan.

Toen Omer zijn mentor Alfred Kroeber naar dit raadsel vroeg, was hij achter in de twintig met een net voorkomen, loensend oog en ontwapenende glimlach. Kroeber werd toen beschouwd als de meest vooraanstaande wetenschappelijk deskundige op het gebied van de inheemse Californische culturen. Omer kreeg Kroeber zover dat hij diens persoonlijke aantekeningen mocht lezen van zijn veldonderzoek bij de Yurokstammen in het noorden, richting de grens met Oregon. Op die pagina’s vol handgeschreven, door regen uitgelopen krabbels stuitte Omer herhaaldelijk op verwijzingen naar de manieren waarop de Yurok hun land slechts tientallen jaren daarvoor nog beheerden. Ze ontstaken branden op de weides, in de wouden, in de eikopstanden en sequoiabossen. ‘Ze ontsteken tot hoog in de bergen branden,’ had Kroeber opgeschreven.

Nieuwsgierig geworden reisde Omer naar Clear Lake, het gebied waar verscheidene Pomostammen huisden, zo’n 160 kilometer ten noorden van Berkeley. Traditioneel omvatten de gronden van de Pomo het merendeel van de hedendaagse county’s Mendocino, Lake en Sonoma, een gebied dat groter is dan de staat Connecticut. Toen hij de Pomo vroeg naar hoe ze hun land in vorige generaties hadden beheerd, kreeg Omer te horen dat ze ‘álle velden en bossen met opzet in brand hadden gestoken’.

Dit verbaasde Omer, want dat was in tegenspraak met de wijdverbreide veronderstelling dat inheemse volkeren weinig in het landschap hadden ingegrepen en veranderd voor de komst van de Europeanen en witte Amerikanen. ‘Vaak wordt ervan uitgegaan,’ schrijft historicus Stephen Pyne, ‘dat de Amerikaanse indiaan niet in staat was om zijn omgeving verregaand aan te passen en dat hij er überhaupt geen interesse in had, mocht hij daar wel toe in staat zijn geweest.’ Omer vermoedde dat het andersom was, dat de inheemse bevolking niet alleen ecosystemen had veranderd, maar in hoge mate verantwoordelijk was voor de natuurlijke rijkdom en overvloed waarop de kolonisatoren stuitten en die ze als wildernis interpreteerden en ontgonnen. Branden, dacht Omer, vormden het ontbrekende bewijs daarvoor.

Met dank aan entomoloog Aglaia Bouma, mycoloog Thom Kuyper en collega Nico Groen bij het bepalen van de juiste benaming van bomen, planten, paddenstoelen en insecten – zo is ‘brandprachtkever’ een nieuw woord voor een beestje dat nog geen Nederlandse naam had – en vooral aan Adriaan ter Huurne, incidentenspecialist van de Twentse brandweer die ook ‘stage’ heeft gelopen in Californië, voor zijn hulp bij de hotshotterminologie.

Meer over auteur en boek in het Engels op whenitallburns.com. Jordan Thomas zal op 7 november in Den Haag zijn bij Crossing Border.

Het boek is vanaf nu verkrijgbaar in de boekhandel. Je kunt het ook bestellen bij de uitgeverij.

De man van glas

Veel Nederlanders denken misschien aan Arjen Robben die tijdens zijn voetbalcarrière die bijnaam droeg. Maar de titel van dit bericht is de titel van het pas bij the House of Books verschenen tweede deel in de Leo Asker-reeks van de Zweedse thrillerauteur Anders de la Motte. Ik schreef al eerder over De bergkoning, het door mij vertaalde eerste deel. Het Nederlands in het nieuwe boek is ook van mijn hand.

Leo Asker krijgt uit onverwachte hoek een nieuwe zaak voorgeschoteld die ze moet zien op te lossen. Haar oude vriend Martin Hill is opnieuw van de partij, maar niet steeds aan haar zijde. Dit tweede deel borduurt voort op het eerste, maar is ook los daarvan te lezen. Ruim zeshonderd pagina’s waar de thrillerliefhebbers weer een lekkere kluif aan hebben.

Als voorproefje het korte tweede hoofdstuk waarin het titelpersonage aan het woord is. Maar misschien is er nog wel een titelpersonage… Voor de verandering nu eens niet de tekst zelf, maar de voordracht daarvan door Marijke Beversluis zoals die voorkomt in het luisterboek dat in allerlei bestandsformaten verkrijgbaar is, naast het papieren en het digitale boek.