Kartelranden en rafeldraden

De KB, onze nationale bibliotheek, heeft een vertaling van mij in brand gestoken, heb ik onlangs ontdekt. Maar laat ik bij het begin beginnen, want er dook meer onvermoeds op. De afgelopen maanden heb ik me verdiept in het vertaalwerk van Bernlef, waarover later dit jaar meer, en die citeert in een stuk over de Amerikaanse dichter Wallace Stevens Peter Nijmeijers vertaling van het gedicht ‘The House Was Quiet and the World Was Calm’. Aangezien ik dat ruim dertig jaar geleden ook heb vertaald, besloot ik het origineel erbij te pakken en eens te kijken of ik die vertaling terug kon vinden. Toen ik Stevens’ Collected Poems uit de kast pakte en opensloeg viel daar een opgevouwen papier uit dat met zijn kartelranden verraadde dat het stamde uit de tijd van kettingpapier en matrixprinters, nog voor Windows en internet, de tijd ook dat ik die vertaling maakte en nog aan het begin van mijn vertaalcarrière stond. Bij het openvouwen zag ik echter al dat het geen gedicht was, maar een kort stuk proza, getiteld De volière van Stevens.

De vierde van vijf tekeningen van Jeroen Henneman

Plotseling zag ik mezelf weer staan in de grote zaal van De Balie in Amsterdam terwijl ik het voorlas. In de tijd dat ik alleen met dat ene gedicht was bezig geweest, had ik me met vier anderen op instigatie van Stichting Perdu ook gestort op Stevens’ grote reeks Notes toward a Supreme Fiction, een centrale cyclus in zijn oeuvre. Wij, Rein Bloem, Onno Kosters, K. Michel, Rob – niet Bob zoals dbnl.org hem abusievelijk noemt – van Rossum en ik, hadden de 32 gedichten onderling verdeeld en haalden elkaars vertalingen net zo lang door de mangel tot we allemaal tevreden waren. Na een jaar of drie kwam daar iets uitrollen wat het daglicht wel kon verdragen, meenden wij en de redactie van De Revisor ook, want die besloot ons werkstuk te publiceren, een heel nummer aan Wallace Stevens te wijden en om Jeroen Henneman te vragen onze Notities te verluchten met enkele tekeningen. Blijkbaar was ik destijds zo gefocust op de tekst dat ik blij verrast werd door Hennemans werk toen ik het Revisor-nummer opensloeg dat ik naast Stevens’ werk in mijn kast had staan. Bovendien werd er een literaire avond rond Wallace Stevens georganiseerd in De Balie bij het Leidseplein en met het mini-lezinkje over Stevens’ volière lichtte ik daar mijn vertaling toe van één van die gedichten, het zesde uit de tweede afdeling ‘Het moet veranderen’, waarin de dichter vreemde klanken ontlokt aan vogels.

De volière van Stevens

Bethou me. Zou een mus dit werkelijk uit zijn snavel kunnen krijgen, vroeg ik me af bij het maken van de eerste vertaling van dit gedicht. Met extra aandacht heb ik nog eens geluisterd naar het frequente gekwetter in de binnentuin waar ik op uitkijk. De enige keer dat mijn vooringenomen oren het meenden te horen was toen Boris, de seniele huiskat, weer eens vanachter het raam naar de vogels zat te mekkeren. BiDOUWmie! Boris is wel ver heen, maar een mus is hij nog steeds niet‚ al kent hij misschien, volgens Stevens, dat verlangen. Geen onomatopee dus kon ik besluiten. En na ‘begij me’ en ‘weesgij mij’ kwam ik uit op drie vette IJen: zijgij mij, aldus Stevens’ kolder onderstrepend.

Verderop in hetzelfde gedicht staat herhaaldelijk een echt klanknabootsend woord. Nu is het met onomatopeeën vreemd gesteld. Als klanknabootsers zouden ze in elke taal eigenlijk gelijkluidend moeten zijn, maar een Engelse hond blaft WOOF. een Nederlandse WAF, en een Zweedse zelfs VAOV. Wat nu te doen met het Amerikaanse ké-ké? Stevens maakt het extra lastig door dit geluid uit minstens drie snavels te laten klinken: die van het wrede winterkoninkje, de snode gaai en het klokkend roodborstje. Op dit punt aangekomen begon ik zo langzamerhand te twijfelen aan Stevens’ kennis der natuur. De gaai is tot heel wat imitaties in staat, maar winterkoninkje en roodborstje zingen toch echt elk, conform het spreekwoord, zoals ze gebekt zijn. Dat komt hier echter niet in Stevens’ kraam van pas en dus zet hij de werkelijkheid weer eens vrolijk naar zijn hand. Ké-ké is wel een onomatopee, maar dan voortgebracht door eenheidsworstvogels die de werkelijkheid zijn ontstegen, al zijn ze van steen. Ik besloot het in alle complexiteit simpel te houden. Alleen de spelling werd Nederlands: kee-kee.

Stevens gebruikt vaak de natuur om de ontoereikendheid van de werkelijkheid gestalte te geven. Onder het begrippenpaar werkelijkheid/verbeelding lijkt het duo natuur/cultuur schuil te gaan. En al zijn er ook lachwekkende cultuurdragers als Generaal Du Puy en Koorheer Aspirine, de natuur komt er niet genadig af. Het is binnen dit bestek helaas onmogelijk om uitgebreid in te gaan op zijn idee van de natuur, maar het is geloof ik een van de problemen die ik heb met Stevens. Zo zet hij de natuur in dit gedicht wel heel stijf in de hoek en in mijn ogen hoort de natuur daar niet thuis. Aan de andere kant doet hij dat weer op zo’n meesterlijke wijze met zo’n droge, laconieke laatste regel, dat ik u de vertaling tot slot niet wil onthouden. 

VI 

Zijgij mij, zei mus, tot het verkreukte blad,
En u, en u, zijgij mij als u fluit,
Als in mijn hakhout u aanschouwt mijn zijn.

Ah, kee! wrede winterkoning, snode gaai,
Kee-kee, stort de roodborst klokkend uit,
Zijgij, zijgij, zijgij mij op mijn tra.

De regen had zulk stompzinnig minstreelschap
En zoveel klepels kleppend zonder klok,
Dat dit zijgij weerklinkt als een hemelse gong,

Eén stem die herhaalt, één onvermoeibare korist,
De frasen van een enkele frase, kee-kee,
Een enkele tekst, monotoon graniet,

Eén enkel gezicht, als een foto van het lot,
Glasblazersfatum, bloedeloze episcopus,
Oog zonder lid, geest verstoken van dromen -

Dit komt van minstreels zonder minstreelschap,
Van een aarde waar het eerste blad vertelt
Van bladeren, waar de mus een vogel is

Van steen, die nooit verandert. Zijgij hem, u
En u, zijgij hem en zijgij. Het is
Een geluid als alle andere. Het houdt op.

Na al die tijd zou er nu vast een andere vertaling ontstaan – zo zou die voor het Nederlands zo vreemde hoofdletter aan het begin van elke regel vermoedelijk verdwijnen – maar de anderen hadden mijn vertaling toch genoeg gemangeld om er een Nederlands gedicht uit te persen.

Laatste tekening van Henneman bij Stevens’ cyclus

In Stevens’ verzamelde gedichten – er bestaat nog een bijna even kloeke Opus Posthumous – vond ik het origineel terug van het gedicht waarnaar ik eigenlijk op zoek was. Mijn vertaling was wat lastiger te vinden. Vreemd genoeg, want de vormgeving maakte het ding juist opvallender. Ik zocht naar een kokertje, net iets groter, langer en steviger dan die van een rol wc-papier. Uiteindelijk vond ik het achter een rij Engelstalige bloemlezingen, samen met een conservenblik dat er blijkbaar ook achter was gerold, de prozaïsch getitelde Poems In A Tin van Sally Crabtree. Dit kwam er uit het kokertje tevoorschijn.

Een gedicht op vitrage. Ik geloof niet dat ik zoiets daarvoor of daarna nog heb gezien. Op de een of andere manier lijkt het zelf afkomstig uit dat stille huis in die kalme wereld. Lees het hieronder strofe voor strofe op de vitragepagina’s.

Er waren maar tachtig exemplaren van gemaakt en ik was benieuwd of ervan dit maaksel uit internetloze tijden iets zou zijn terug te vinden op het wereldwijde web. Zo belandde ik op het blog van Paul van Capelleveen, collectiespecialist Moderne bijzondere gedrukte werken en Boekgeschiedenis bij de KB, die op die site verslag doet van zijn ervaringen als conservator.

colofon – met een spelling die in 1989 nog weleens voorkwam

Aflevering 375 is getiteld Op tafel: Het huis was stil en de wereld kalm en opent zo: ‘Een boek in de brand steken, alleen maar om uit te vinden van welk materiaal het is gemaakt  – dat doen we niet vaak bij de KB, maar nu was het toch noodzakelijk.’ Ik viel bijna van mijn stoel. Was een vertaling van mij in brand gestoken? En dan nog wel door de KB, de behoeder van ons geschreven erfgoed? Ik had de reden wel gelezen, maar was toch vooral verbijsterd. Na een beschrijving van het uitzonderlijke drukwerk kwam de aap uit de mouw. Om te bepalen wat voor stof de vitrage was, is niet het hele ding maar een klein stukje van een van die talrijke rafeldraden verbrand. Zou er alleen as overblijven, dan zou het een natuurlijke stof zijn – linnen, had de antiquaar gezegd bij wie de KB het had aangeschaft. Maar het kleine draadeindje smolt alleen. Een kunststof dus. Had men mij geraadpleegd, dan had ik dat ook kunnen vertellen. Maar niets fijner natuurlijk dan iets doen wat een conservator eigenlijk verboden is. Met als bijkomend gevolg dat wanneer ik nu aan Wallace Stevens denk, mijn hersenen de geur tevoorschijn toveren van een stinkveter.

PS Ik schrijf dit enkele dagen na het overlijden van David Hockney. Ook hij heeft zich een tijd beziggehouden met de poëzie van Wallace Stevens, met name met zijn andere beroemde cyclus, The Man With the Blue Guitar. Lees bijvoorbeeld: https://www.halcyongallery.com/news/197-the-blue-guitar-portfolio-1976-1977-david-hockney/

Één reactie op “Kartelranden en rafeldraden”

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *