Het begon als een grap

Voorwoord

Het begon als een grap. Amsterdam kreeg in 2006 zijn eerste stadsdichter. Maar dat ging wat onhandig, want hij, wijlen Adriaan Jaeggi, werd niet benoemd door de stad, maar door een stadsdeel, Centrum. Reden voor menigeen om melig te roepen dat elk stadsdeel dan zijn dichter moest hebben. Collega F. Stariks stem moet het luidst hebben geklonken, want in zijn stadsdeel Westerpark werd het idee ernstig opgevat en meteen een verkiezing georganiseerd. De grap ging wat ver, vond ik. Helemaal toen men er bij mij op aandrong me kandidaat te stellen en een plan in te dienen.

Stads- en vaderlandsdichters zijn veelal gelegenheidsdichters in de letterlijke zin des woords. Een heuglijk voorval of een barre gebeurtenis en de dichter reageert erop met een gedicht. En hij komt natuurlijk voordragen bij zulke gelegenheden. Slagroom op de taart. Daar had ik geen zin in.

Maar onwillekeurig moest ik denken aan Het blauwe huis en In de Ebendorferstrasse, gedichten van Tomas Tranströmer en H.H. ter Balkt. Het werk van deze twee zeer verschillende dichters is mij dierbaar en net als deze twee gedichten is een aanzienlijk deel daarvan ‘poetry of place’, zoals het in het Engels heet, poëzie van de plek. Geen allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie, maar gedichten die uitgaan van wat een plek eigen is, zijn geschiedenis, wat hem onderscheidt van andere plekken. Dat is poëzie die mij trekt.

En toen begon de grap voor mij ineens een buitenkans te worden. Ik stelde een plan op dat niet veel meer behelsde dan bovenstaande overwegingen plus het voorstel geen gelegenheidsgedichten te schrijven, maar een portret te maken van het stadsdeel aan de hand van gedichten over specifieke plekken in Westerpark.

Of dat de doorslag heeft gegeven bij mijn aanstelling weet ik niet, maar het is wel wat ik, eenmaal bekleed met het edele ambt, ben gaan doen. Verzoeken om slagroomgedichten heb ik afgewezen, maar andere niet. Toen Gerard Reve overleed en de keer dat een jong meisje bruut werd vermoord, heb ik toch gelegenheidsgedichten geschreven, omdat bij plekken mensen horen en omgekeerd.

De grap heeft het uiteindelijk vier jaar volgehouden – dat met mijn afscheid ook het stadsdeel ten grave wordt gedragen, duide men mij niet euvel – en het gevolg staat op de volgende pagina’s en op de bijgevoegde cd-rom. De gedichten verschenen beurtelings in allerlei media, maar in ieder geval ook steeds op de deelsite www.hanskloos.nl/westerparkdichter en net als op de hoofdsite namen sommige gedichten met hulp van H. Rystadius de vorm aan van tekstanimaties. Het project behoort even goed tot het papieren als het digitale domein, vandaar deze dubbele verschijningsvorm. En het bood mij de kans aan het eind nog een derde dimensie toe te voegen: de cd-rom herbergt niet alleen een sterk verbeterde versie van de deelsite, maar ook een koor aan stemmen.

Want, als gezegd, bij plekken horen mensen en omgekeerd. En hoe komt een plek nog meer tot zijn recht dan door de stem van die plek, van dat gedicht te laten horen? Dus ben ik op zoek gegaan naar mensen die met de plekken en gedichten te maken hadden. Van een jong meisje dat vaak in het park komt tot een krasse bejaarde die nog weet hoe in de oorlog een vliegtuig op zijn school is neergestort, van een bewoner van de straat waar een blinde man altijd zijn hond uitlaat tot de laatste nazaat van Hugo de Groot. Iedereen komt voorbij, zelfs ene Hans Kloos.

De diversiteit van de plekken heeft tot steeds andere vormen geleid. Zelfs hoofdlettergebruik en interpunctie richt zich naar plek en gedicht en niet naar één vaste regel. Ook de indeling van de bundel is weinig gangbaar: de gedichten staan niet in een thematische of chronologische volgorde, maar in een topografische. Het eerste gedicht komt uit het noordoosten, het laatste uit het zuidwesten. Wie wil kan de route volgen.

_______
_______

Uit de bundel
Je ziet hier iedereen voorbijkomen
de Westerparkse gedichten
© 2010 Hans Kloos