Ik begon al bijna te zingen toen ik de titel las: I am an island. Zo heet het debuut van de Britse Tamsin Calidas waarvoor ik net een vertaalcontract heb getekend bij Uitgeverij Pluim. De titel draaide in de jukebox in mijn hoofd meteen I Am A Rock af, een van de vele hits van Simon & Garfunkel, met zijn refrein dat lekker uithaalt op dat sleutelwoord: I am a rock / I am an iiiiiiiiiiihiihiiland. Maar het nummer en de zangers komen in het hele boek niet voor, zelfs niet in een kleine verwijzing in het colofon.
I am an island is het autobiografisch relaas van een vrouw die na traumatische gebeurtenissen het drukke leven in de Britse hoofdstad achter zich laat om een beter bestaan op te bouwen op een van de kleine Hebriden, de desolate eilanden voor de noordkust van Schotland. Het is een intrigerend verhaal van een idylle die steeds meer op een nachtmerrie begint te lijken, van integratieproblemen in het eigen land, van ongelooflijke tegenslagen die de meeste mensen op de vlucht zouden doen slaan, van een niet alleen prachtige, maar ook overweldigende natuur, van een vrouw met een innerlijke kracht die ze zelf niet had vermoed.
Fascinerend genoeg voor mij om in te gaan op het verzoek van de uitgeverij dit enthousiast onthaalde boek te vertalen. Een van de problemen die zich nu al aandienen, is de vraag wat ik met de Schotse woorden en uitdrukkingen in het Nederlands moet. In het Engels vormen ze couleur locale, verankeren ze het verhaal en de mensen in de streek en in het landschap. Ik vermoed dat ik daar niet één oplossing voor kan hanteren, maar het van geval tot geval moet bekijken.
Sommige woorden, met name de geografische, zoals ‘loch’ voor een meer, zijn hier bekend genoeg om ze ook in het Nederlands te gebruiken. Maar met spreektaalaanduidingen als ‘wee’ (klein) en ‘lass’ (meisje, meid) kan dat niet zomaar. Of een uitdrukking als ‘at the back of eight’, een typisch Schotse manier om ‘even na achten’ te zeggen. Vertaal je dat zo? Is er een even afwijkende uitdrukking in het Nederlands? Moet je zo’n dialectische eigenheid misschien letterlijk vertalen en er dus een nieuwe uitdrukking van maken in het Nederlands?
Gelukkig hoef ik daar niet nu al een antwoord op te geven. Komend voorjaar kunnen Nederlandse lezers ontdekken hoe ik dit soort zaken heb opgelost. En voor de titel hoef ik deze keer niet iets anders te verzinnen. Die wordt simpelweg Ik ben een eiland.
Ik weet nog niet of Tamsin Calidas daarbij aan Simon & Garfunkel heeft gedacht. De refreinregels lijken wel van toepassing op dit soms steenharde verhaal. Country-zanger Merle Haggard heeft een song geschreven met dezelfde titel als dit boek. En dat nummer begint met deze regel: They say no man is an island. Het origineel daarvan is van de aloude John Donne en is in de Britse Brexit-discussie ook regelmatig opgedoken: No man is an island entire of itself; every man / is a piece of the continent, a part of the main. Het zou me niet verbazen als dat door Calidas’ hoofd spookte toen ze haar titel koos. Die lijkt een ontkenning van Donne’s beroemde regels, maar het boek laat zien dat ze die tegelijk beaamt. Lees het dit voorjaar maar.
Ruim negen jaar geleden klonk die vraag op Radio1. Mogelijke gegadigden waren de drie studiogasten van het programma Dit is de dag: politica Andrée van Es, psycholoog Jean-Pierre van de Ven en pedagoge Tischa Neve. Zelf was ik via de telefoon de dichter van de dag met dit gedicht:
Vermoedelijk schortte er iets aan de interactieve techniek, want er is nooit een uitslag van de keuze van de luisteraars gekomen. En derhalve ook geen langdurige relatie met een van de drie.
Vandaag is het negentien jaar geleden dat Jan de Vries is overleden. Een kleine twee jaar later verschenen onder de titel Alles is er nog de verzamelde gedichten van Jan Kostwinder, zoals hij zich noemde als auteur. Bij de presentatie van dat boek vertelde ik dit:
Jan Kostwinder / Jan de Vries (Oude Pekela, 8 juni 1960 – Amsterdam, 27 augustus 2001)
We schrijven 30 maart 1985: Kruiwagen presenteert in de Balie onder de titel Ter inzage tien onbekende jonge dichters, staat er op de bladwijzer in het begeleidende bloemlezinkje. Onder die tien grote onbekenden bevinden zich Rogi Wieg, Roeland Fossen, Joost Zwagerman, Jan Kostwinder en ondergetekende. Kruiwagen – what’s in a name? – dat waren Jan, Marisa Groen, zijn vriendin, Jaap Boots en nogmaals ondergetekende en het was het logische resultaat van avonden waarop Jan, Jaap en ik elkaars nieuwe gedichten stevig door de mangel haalden. Geestdrift en geldingsdrang deed ons besluiten heel de wereld kennis te laten maken met ons ongebreidelde talent en dat van andere anonymi. (Jans geestdrift ging zelfs zover dat hij besloot dat er een bundel van mijn poëzie moest komen. Daartoe richtte hij samen met Marisa uitgeverij Kruiwagen op die in 1986 mijn debuutbundel Legioen uitbracht. Het succes van die bundel was zo groot dat er nooit meer iets van uitgeverij Kruiwagen is vernomen.) Ik bracht op die eerste Kruiwagen-avond gedichten over het voetlicht die later in Legioen zouden staan en Jan las toen onder andere het gedicht voor waarmee hij later zijn eerste bundel Binnensmonds zou openen:
DE VRAAG Het woordenboek waarmee mijn vader op zijn sterfbed ieder raadsel dood kon slaan, valt in mijn handen, uit elkaar.
Over de vloer liggen letters verspreid. Voordat ze door een gat verdwijnen in de grond, grijp ik er negen bij de staart,
en leg ze in een vraag.
Het is zijn zelfgeformuleerde vraag, waarop hij zijn korte leven lang een antwoord heeft gezocht. Maar Jan geloofde ook sterk in het adagium: an unhappy childhood is a writer’s goldmine. Hij was zich terdege bewust dat het vinden van een antwoord de dood in de pot zou zijn voor zijn schrijfkunst. Diezelfde ambivalentie kenmerkte zijn verhouding met drank en drugs. Die verhouding leidde bijvoorbeeld tot hilarische gedichten als:
DE VRIES OP ACID
De wereld is roze door een roze bril.
De Vries neemt een pil.
Er zijn mannen, er zijn vrouwen
en er zijn dakpannen.
Zie je wel: het werkt.
We schrijven ook 21 februari 2001: Een half jaar voor zijn dood. Er is een try-out van mijn monoloog Schaap van de slapers in de Toneelschuur in Haarlem. Jan komt kijken. Toevalligerwijs stappen we op station Haarlem uit dezelfde trein, Jan met een open blikje bier in zijn hand. Hij praat honderduit en bestelt als we eenmaal in de foyer van het theater zijn beland nog een biertje. Bij aanvang van de voorstelling nestelt hij zich op de eerste rij naast regisseur Erik Koningsberger. Terwijl acteur Chris Junge de toeschouwers meeneemt naar slaapkamers vol slapende mensen, begint ergens gesnurk op te stijgen. Wat eerst nog een geraffineerd geluidseffect bij de voorstelling lijkt te zijn, blijkt allengs luider Meneer de Vries te zijn, in slaap gevallen onder invloed van medicatie, drank en god weet wat nog meer. Alleen een paar ferme elleboogstoten van de regisseur weten te voorkomen dat de tekst van de acteur voorgoed overstemd wordt door de ronkende Jan. Na afloop biedt hij zijn excuses aan en voegt daar gelijk aan toe: ‘Maar Hans, nou heb je wel weer een mooi verhaal om te vertellen.’ Dat hij daarin gelijk had, vond hij inmiddels genoeg, dat hij zelf ten onder dreigde te gaan aan dat verhaal, leek hem niet meer te interesseren.
We schrijven 29 oktober 1994: Jans bundel Een kussen van hout wordt gepresenteerd bij Stichting Perdu dat nog in de Kerkstraat zetelt. En net als nu ben ik gevraagd daaraan een bijdrage te leveren. Omdat Perdu mijn hulp heeft ingeroepen bij de redactie van de bundel, ken ik die al van voor naar achteren en omgekeerd. Ik kies een thematisch centraal gedicht uit de bundel en schrijf daar een reactie op, die later in enigszins herziene versie ook als een zogenaamd nuttig gedicht in Raster zal verschijnen en helaas pas na Jans dood in mijn bundel het zingen van het ijs, al was het manuscript daarvoor net klaar voor ik het brute nieuws van zijn overlijden kreeg. Dat thematisch centrale gedicht van Jan was dit:
Men zegt, wij mensen moeten niet zoals de dieren zijn, wij mensen hebben toch verstand? Maar och, al hebben wij verstand, iets weten doen wij niet. Behalve dit, en dat al heel erg lang en steeds opnieuw: in ieder doosje zit een kleiner doosje.
Wat verschilt is de verpakking, en die moet een verrassing zijn, zwart gelakt of versierd met kleurige motieven. Probeer het, maak van een doosje een bonbon of medaillon – misschien dat wij daarin anders dan de dieren zijn.
Wees voorzichtig daar, anders doet het pijn.
Hij is nooit echt in staat geweest zijn eigen raad op te volgen. Die voorzichtigheid was hem vreemd. Mijn reactie op zijn gedicht is nooit bedoeld geweest als een in memoriam. En ik wou dat het dat ook nooit was geworden.
IN DE DOOS
voor J.K. (de V.)
Er staat een doos op tafel met een plakkertje:
al hebben wij verstand, iets weten doen wij niet. Behalve dit, en dat al heel erg lang en steeds opnieuw: in ieder doosje zit een kleiner doosje.
Hij gaat er even van zitten op de stoel naast de tafel. Nu moet hij denken.
Het bed en het kussen, de douchekop en de witte slang, vanochtend heeft hij ze nog aangeraakt, zijn tenen op de gaatjes van het grijze afvoerputje, onder het water
zijn lichaam, zijn hand later rond het brood, het vlees en het mes ernaast, zijn billen op de stoel en zijn ogen op de doos.
Hij kijkt er nog eens naar — hij wist het niet, ook niet opnieuw dat er nog één en nog één en
Handle with care Fragile Denna sida uppe.
Hij klimt op de tafel, steekt zijn hoofd in de doos en dwars door het karton klinkt steeds vaster zijn stem:
Als. Dan. Want. In is om, in = om, binnen = buiten, inzicht = uitzicht!
Hij springt op de grond, schiet zijn kleren, zijn schoenen aan, gooit de deur achter zich dicht en trekt de grote zwarte doos in
Postscriptum 27 augustus 2020
Nu, negentien jaar na zijn dood, zeventien jaar na het verschijnen van zijn verzamelde gedichten, valt me dit gedicht op. Op mijn instigatie had Jan rigoureus alle titels geschrapt in Een kussen van hout. In een eerdere versie van het manuscript droeg het nog deze: ‘Balsem’.
Waarnaar te streven –
een tweede leven onder glas, tesamen met wat snuisterijtjes uitgestald; dat kan nog.
Kinderen staan over je sarcofaag gebogen, tik tik tik komt daar een jonge moeder aangelopen
Toen mijn uithuizige dochter en ik elkaar eindelijk weer eens in de armen wilden sluiten en dat toch niet door kon gaan, schoten mij deze regels te binnen: ‘begroet het lijf de tijd / als nu een plaats / waar de handen wachten.’ Het gedicht waaruit dit komt, is ruim twintig jaar oud, maar deze slotregels lijken wonderlijk toepasselijk op deze coronatijden waarin we allemaal wachtende handen hebben die smachten om elkaar aan te raken en waarin het wachten sommigen blijkbaar te veel wordt.
Het ontstond ooit uit de vraag wat ons lichaam allemaal zegt voordat de taal komt en voor de aanraking van de ander komt. Toen het tijdschrift Raster schrijvers en dichters vroeg te reageren op het thema ‘zwijgen’, schreef ik dit gedicht.
César Vallejo (fotograaf onbekend, 1929?)
De titel ‘O stom rumoer’ is ontleend aan een Spaans gedicht dat ook gaat over lichamelijkheid, over wat er aan taal voorafgaat en na taal komt, over de geneugten van het lichaam van de ander. Het is nummer XIII uit de bundel Trilce (1922) van César Vallejo. ‘Het werk van de Peruaanse dichter die het laatste deel van zijn leven in Europa doorbracht, valt buiten de tradities die in Nederland vigeren. Het is bars en aandachtig, soms zeer direct tot op het bot, maar ook speels en geëngageerd. De geur van zijn poëzie gaat in je kleren hangen en gaat er nooit meer uit’, schreef ik elders al eens.
‘Oh estruendo mudo. // ¡Odumodneurtse!’ zijn de slotregels van Vallejo’s gedicht. ‘O stom rumoer // Reomurmots!’ in mijn eigengereide vertaling. Ik heb serieus overwogen de bundel waarin mijn gedicht uiteindelijk belandde, Reomurmots! te noemen. Het blijft een fijne titel. Vandaar dat ik hem nu hierboven heb gezet, al geurt hij naar een soort woordenspel waarvan ik me verder amper bedien.
Toen de bundel, die het zingen van het ijs is gaan heten, is verschenen, is me gevraagd eruit voor te lezen in Music Hall, het live-onderdeel van het VPRO-radioprogramma De Avonden. Aan het begin van de voordracht hoor je me nog net de Spaanse regel uitspreken die de Nederlandse titel is geworden.
Recentelijk stuitte ik op een foto waarvan ik de maker niet heb kunnen achterhalen. Daarop is César Vallejo te zien die ergens (in Parijs?) op een bankje zit – op zijn schoot zijn gevouwen, wachtende handen.
Vallejo’s werk is in het Spaans en vertaald Engels nog volop verkrijgbaar. Van de Nederlandse vertalingen is bij mijn weten alleen de bloemlezing van het Poëziecentrum nog gewoon bestelbaar.
Dit stuk verscheen later in aangepaste vorm ook op VertaalVerhaal.
Laatst zag ik een stukje van de Zweedse film Låt den rätte komma in, hier ook bekend als Let The Right One In, een veel geprezen moderne vampierfilm. ‘Ik ben in de badkamer’, riep de ene hoofdrolspeler tegen de andere volgens de ondertiteling, maar mijn oren vertelden mij dat hij op de wc zat, niet vanwege onsmakelijke geluiden, maar omdat hij dat zei in het Zweeds: ‘Jag sitter på toa’. ‘Toa’ is de alledaagse spreektaalverkorting van ‘toalett’. ‘Ik zit op de plee’ is net iets grover dan het Zweeds, maar dat is wel de situatie.
In Denemarken maken ze er gewoon een Deense titel van
Film- en televisiemakers zien hun product om allerlei redenen graag de grens oversteken. Daarbij hebben de makers uit de Engelstalige wereld een voordeel. Hun bereik wordt amper belemmerd door hun taal. Dat is heel anders voor regisseurs en producenten uit bijvoorbeeld Noorwegen, Turkije, Iran, Korea of Nederland. Willen zij hun film of serie aan het buitenland verkopen, dan zullen ze er eerst voor moeten zorgen dat de buitenlandse inkopers iets begrijpen van wat zij hebben gemaakt. Daarom laten ze hun maaksel ondertitelen in het Engels, de lingua franca van onze wereld. Op die manier kunnen inkopers uit zo veel mogelijk landen en talen kennismaken met hun werk.
Vermoedelijk is dat ook de reden dat veel Nederlandse inkopers denken dat de Engelse titel dé titel is, want zo krijgen zij het aangeleverd. Dan doet zich het curieuze verschijnsel voor dat films en series die van oorsprong geen Engelse titel hebben, in Nederland op televisie, in de bioscoop of bij streamingsdiensten verschijnen met een Engelse titel. Onlangs heb ik het tweede seizoen ondertiteld van de Zweedse serie Advokaten. Nu vermoedt ook iemand die gespeend is van elk taalgevoel wel dat dit in het Nederlands zoiets als De advocaat zal zijn. Toch staat men erop dat zodra de Zweedse titel in beeld verschijnt, daaronder THE LAWYER komt te staan.
Als dat het enige gevolg van die verkoopvertaling in het Engels zou zijn, zou er nog niet veel aan de hand zijn, maar het vampierslachtoffer op de wc van hierboven laat zien dat er meer speelt. Want waarom is de wc de badkamer geworden? Dat doet vermoeden dat er uit het Engels is vertaald waarin men het meestal over de badkamer en handen wassen heeft, ook al wil men naar het toilet om te plassen.
De voor de verkoop gemaakte Engelse ondertiteling krijgen kopers er veelal gratis bij, samen met een script in de oorspronkelijke taal, of alleen de dialogen – soms zijn er zelfs alleen Engelse ondertitels. Vertaalbureaus kunnen met een clip van de film en het bijgeleverde materiaal vervolgens zorgen voor een goede vertaling en ondertiteling in de taal van het land van aankoop. En dan gaat het steeds vaker fout. De tarieven van vertalers en ondertitelaars uit het Engels liggen over het algemeen iets lager dan bij iets minder gangbare talen en daarom wordt er steeds vaker tweedehands vertaald. Het is goedkoper om de Engelse vertaling nog eens naar het Nederlands te vertalen dan om het Zweeds, Portugees of Japans direct te laten ondertitelen. Dat er daardoor onherroepelijk fouten insluipen, vergeet men te vermelden.
Van oorsprong een mini-serie, maar op Netflix een film
Op mijn Facebookpagina heb ik al eens laten zien hoe Lykke-Per, het meest recente werk van Bille August die ook Pelle de Veroveraar regisseerde, gemangeld is door deze praktijk. “Het begon met het taalgebruik van een zwartekousen-protestant dat klonk als een mengelmoes van een preek en een avonturenroman waarin ook de Heer in de hemel een heer in de Hemel was. Vervolgens bleken de aanspreekvormen van Deense mevrouwen en meneren Engels te zijn (Mr, Mrs, Miss) en een avond werd zomaar een nacht, want een ‘night’ is natuurlijk een ‘nacht’, dacht de vast niet al te snuggere vertaler die waarschijnlijk vergeten was dat het Engelse ‘night’ ook een avond kan zijn. Dat er in het Deens niet ‘nat’ maar ‘aften’ wordt gezegd en het vreemd genoeg ook nog niet eens donker is, kan natuurlijk geen bezwaar zijn om het gewoon over een nacht te hebben, want nadenken en kijken naar wat je ondertitelt is te veel gevraagd.”
Nu lijk ik deze fouten op het conto van de vertaler te schrijven, maar de vraag is of dat terecht is. Misschien krijgt de ondertitelaar wel zo slecht betaald dat er überhaupt geen tijd is om stil te staan bij dit soort problemen als er nog een fatsoenlijk inkomen moet worden verdiend.
Of er gezien de steeds verder dalende tarieven tijd voor is, valt dus te betwijfelen, maar dit soort fouten lijkt in ieder geval voorkomen te kunnen worden, door goed op te letten en enige verdieping in het te vertalen werk. Een argument dat wel wordt gebruikt om het tweedehands vertalen goed te praten, maar dat snijdt geen hout.
Zweedse quarantaine is een valse vriend, schreef ik eerder elders. In een door mij vertaalde aflevering van de Zweedse serie Rebecka Martinsson werd volgens de ondertitelaar Engels dit gezegd in het Zweeds: ‘Have I told you I love you for being a prosecutor and not ending up in quarantine?’ Een vrij letterlijke vertaling van het Zweeds die op zich niet heel vreemd is, want daarin gaat het om ‘karantän’. En dat vertaal je in het Nederlands negen van de tien keer ook met ‘quarantaine’. Maar niet in dit geval, want er is helemaal geen sprake van besmettelijke ziektes, lockdowns en andere verschijnselen die ons nu bekend zouden voorkomen.
Maar wat wordt er dan wel bedoeld? Het is een terloopse opmerking waar men niet op terugkomt, dus is dat niet op te maken uit de context, een telefoongesprek tussen een vrouwelijke officier van justitie en een oud-collega van een advocatenbureau. Maar als je de originele taal spreekt, kun je uitzoeken dat ‘karantän’ tegenwoordig ook in sommige omstandigheden overdrachtelijk gebruikt wordt, met name als het gaat om situaties waarin er sprake is van een zogenaamd concurrentiebeding, de vreemde clausule in samenwerkingsovereenkomsten waarmee ook vertalers weleens te maken krijgen. Namelijk dat je ook na ontbinding van die overeenkomst voor een bepaalde tijd niet voor een concurrent van de eerdere opdrachtgever mag werken.
In het Zweeds kun je zeggen dat je in (werk)quarantaine zit, als je zo’n contract hebt getekend en stopt met werken voor die opdrachtgever. In het Engels had er vermoedelijk iets moeten komen met geen last hebben van ‘a non-compete clause’. In het Nederlands werd het ‘dat je vrij kunt switchen’, mede omdat de spreekster graag Engelse woorden gebruikt en in ondertiteling kortheid vaak een pre is.
Iemand die het Zweeds niet machtig is, komt daar niet achter, want voordat dergelijk taalgebruik de (vertaal)woordenboeken haalt, ben je jaren verder, als het al zo ver komt. Een vertaler uit het Engels die het zich geldelijk kan veroorloven zich bij die ‘quarantine’ nog eens achter de oren te krabben, bedenkt misschien dat ‘quarantaine’ in het Nederlands vast niet klopt. Die zal gegeven de juridische context wellicht op zoiets als ‘in afzondering’ komen, waarin sommige verdachten worden geplaatst. Misschien wordt er wel een grapje gemaakt over een officier van justitie in afzondering, denkt de terecht argwanende vertaler. Dat zou de plank volledig misslaan, want daar zijn in het Zweeds andere termen voor. Maar dat weet de vertaler uit het Engels niet.
Een ander recent voorbeeld, uit de al genoemde serie Advokaten. Volgens de ondertitelaar naar het Engels wordt er ergens dit gezegd: ‘None of these investigations led to any convictions. Why?’ Er is dit keer een Deense officier van justitie aan het woord. Ze gebruikt het woord ‘sigtelse’ dat in het Engels ‘conviction’ is geworden. Elke rechtbanktolk die dit zou vertalen met ‘vonnis’ of ‘veroordeling’, zou vermoedelijk meteen zonder werk zitten. En een officier van justitie die het verschil niet kent tussen een vonnis en een aanklacht, bestaat niet. Want dat is waar het om gaat. Binnen de context past dan eventueel ook een constructie als ‘tot een proces/vervolging leiden’, maar hier ‘veroordelingen’ gebruiken maakt van deze secure officier van justitie een populist die wil dat er meer wordt gestraft. De ondertitelaar die dit vanuit het Engels naar het Nederlands vertaalt, zal het niet doorhebben en de fout aan de Nederlandse kijkers voorschotelen die er ook geen weet van hebben dat ze worden voorgelogen.
screenshot uit ondertitelsoftware met de juiste vertaling
In een volgende aflevering van dezelfde serie zegt de ene crimineel dit over een andere, volgens de vertaler naar het Engels: ‘You could hang him by the nose and he wouldn’t say a word.’ Lekker plastische manier om te zeggen dat iemand niet uit de school zal klappen. In het Deens hoor je dit: ‘Du kan hænge ham op i hans nosser, han kommer ikke til at afsløre noget som helst.’ Het woord waar het om gaat is ‘nosser’. Dat is ten eerste een meervoud en ten tweede is het wel een anatomische aanduiding, maar de vertaler zit een metertje te hoog.
In dit geval was er zelfs nog een tweede Engelse vertaling beschikbaar: ‘He won’t snitch, not even under torture.’ Alsof de vertaler gedacht heeft dat hij het origineel maar een beetje moest aanpassen voor het beschaafde publiek, een opvatting die vroeger vertalers van met name kinderboeken nog wel eens huldigden (en sommige productiemaatschappijen en omroepen tegenwoordig nog). Maar het origineel is even plastisch als de eerste vertaling en niet zo eufemistisch als de tweede, en dus moet de Nederlandse zoiets als dit zijn: ‘Al hang je hem op aan z’n kloten, dan zegt hij nog niks’. Over de precieze benaming van de genitaliën valt nog te twisten, maar ze moeten wel worden genoemd.
screenshot uit ondertitelsoftware
Zo stuit ik elke keer op tweedehandsvertalingen die vol fouten zitten omdat de tussentaalvertaling, meestal Engels, verkeerd is. Soms valt dat op, maar vaak ook niet. Maar zelfs al is de tussentaalvertaling goed en de vertaler uit het Engels naar het Nederlands de beste die er is, ook dan ontkom je niet aan fouten. In ondertitelde trailers van Scandinavische films staat soms ‘je’ waar het ‘jullie’ zou moeten zijn of andersom, alleen maar omdat het Engelse ‘you’ nu eenmaal beide kan zijn, en soms biedt de context simpelweg geen uitkomst. Dat geldt ook voor het al aangehaalde probleem dat het Engelse ‘night’ heel vaak naar een avond verwijst. In de Scandinavische talen is het onderscheid tussen avond en nacht ongeveer gelijk aan dat in het Nederlands. Bij directe vertaling levert dat zelden een probleem op, bij tweedehands vertalingen gaat het door het Engels vaak verkeerd, omdat er verder geen context is van die avond of nacht. En zo zit je in het Zweeds ook op de wc en verhuis je dankzij het Engels in het Nederlands zomaar naar de badkamer.
Wie vertaalt uit een tussentaal, tast vaak in het duister. Wie beweert dat deze tweedehands vertalingen niet tot fouten leiden en in kwaliteit niets onderdoen voor directe vertalingen, neemt zichzelf, de maker en de kijker bij de … neus.