Het is een van de fijnste Zweedse frasen die ik ken. Hij kwam langs in de film die ik aan het ondertitelen ben. En händelse som ser ut som en tanke. De titel van dit bericht is de letterlijke vertaling. Maar zo vertaald wordt hij in het Nederlands vermoedelijk niet begrepen zoals hij wordt bedoeld. Het is niet direct een vertaling, maar in situaties waarin Zweden deze uitdrukking bezigen, zouden wij eerder zeggen: Dat kan geen toeval zijn. Dat is wel heel toevallig. Oftewel: er zit een gedachte, een plan, achter wat er is gebeurd.
Het grappige is dat hij ook het tegendeel kan betekenen: Dit lijkt vooropgezet, maar het is toeval. Dat was ook de betekenis toen hij voor het eerst werd gebruikt, door Erik Gustaf Geijer, een Zweeds schrijver, componist en historicus (1783 – 1847).
Erik Gustaf Geijer, portret door Karl Vilhelm Nordgren (collectie Skoklosters slott)
Die schreef een keer over het ontstaan van het grote Scandinavische rijk, de zogenaamde Unie van Kalmar, aan het eind van de middeleeuwen. Dat noemde hij ‘en händelse som ser ut som en tanke’ en daarmee bedoelde hij dat het leek alsof er een groot plan achter zat, maar dat het in werkelijkheid een heel toevallige samenloop van omstandigheden was.
Zelf ziet hij eruit alsof hij genoeg gedachten had die gebeurtenissen konden worden.
Vanmiddag las ik oud nieuws van vorig jaar dat deze titel van Louis Couperus is hertaald in hedendaags Nederlands. Op zich al een paradoxaal bewijs van de titel. Gisteren heb ik de opdracht aangenomen om Så vit som en snö te vertalen en ondertitelen. Het is een film over het leven van Elsa Andersson, de eerste Zweedse met een aviateursdiploma, een vliegbrevet, en de eerste Zweedse parachutiste.
Toen ik de film vanochtend ter voorbereiding bekeek, was het alsof ik naar een naturalistische roman zat te kijken, zoals bijvoorbeeld Emants, Van Eeden én Couperus die schreven. Elsa zou het wat daadkrachtiger nichtje van Eline Vere kunnen zijn. De film stamt uit 2001, maar het tempo is dat van de tijd waarin het verhaal zich afspeelt, het begin van de vorige eeuw, net als de aandacht en verbeelding van de zieleroerselen – zelf ook een woord dat bij het tijdperk en de stroming hoort – en het taalgebruik is al even belegen. Deernen, vrijsters, knechten, aviateurs en beleefdheidsvormen die we nu nog maar zelden gebruiken.
Een van de opvallendste oude idiomen, dat in het Zweeds sowieso hardnekkiger is dan in het Nederlands, is een zin met de derde persoon enkelvoud, soms meervoud, die zich richt tot degene die wordt genoemd. Dat klinkt wellicht ingewikkeld, dus laat ik een voorbeeld geven dat nu nog weleens te horen valt als men zich tot kinderen richt. ‘Wil Liesje soms een snoepje?’ De vraagzin is de meest gangbare vorm. Alhoewel afgeleide vormen ook voorkomen. Een voorbeeld uit de film: ‘Vader herinnert zich de kersenboom vast nog.’ Zegt Elsa tegen haar vader. ‘Lars mag niet weggaan.’ Tegen haar broer die Lars heet.
In het Nederlands ruikt dat nu naar voorbije tijden. In het Zweeds hoor je het nog vaker dan hier, al is dat vooral uit de mond van ouderen op het platteland. Maar in het Nederlands van een eeuw geleden heeft het vast ook geregeld geklonken. Dus ik ga mij eens beraden in hoeverre ik het Zweeds moet volgen. Maar ik ga het in ieder geval niet hertalen en moderniseren. Het lijkt me juist een uitdaging om dat oude Zweedse taalgebruik in het Nederlands te evenaren, om de dingen die voorbijgaan weer even te laten glanzen.
De titel is al een fijn probleem. Letterlijk vertaald wordt het: Zo wit als een sneeuw. ‘Een sneeuw’ is vreemd Nederlands. In het Zweeds is het ook niet heel gangbaar. Ik ken maar twee Nederlandse voorbeelden, waarbij de laatste ontleend is aan de eerste. Willem Jan Otten schreef enkele jaren geleden een toneelstuk met de titel Een sneeuw. Hij ontleende dat aan een veelbesproken regel van Couperus’ grote dichtende tijdgenoot, J. H. Leopold, die volgens sommigen bewust een archaïsme gebruikte: ‘Een sneeuw ligt in den morgen vroeg / onder de muur aan (…).’ Aangezien de Zweedse titel ook ontleend is aan een gedicht (op muziek), is het verleidelijk ‘een sneeuw’ voor een derde keer in het Nederlands te laten opduiken.
Wat denkt de lezer daarvan? De kijker kan zich er over niet al te lange tijd op Netflix van vergewissen of ik mijn glansvoornemen enigszins heb kunnen volbrengen.
Vijf jaar geleden zat een tienermeisje tegenover mij aan tafel in haar huis in het Haagse Kijkduin. Dit weekend is ze de covergirl van het Volkskrant Magazine dat inhaakt op het succes van de tv-serie The Queen’s Gambit, die het verhaal vertelt van een jonge schaakster die in de jaren vijftig en zestig probeert de beste schaker van de wereld te worden.
Anna-Maja Kazarian en drie andere jonge topschaaksters is een kort interview afgenomen en van alle vier zijn fotoportretten gemaakt in de retro-stijl van de serie. Die schijnt overigens goed vertaald te zijn, maar juist als het aankomt op schaaktermen helaas de mist in te gaan.
Anna-Maja won 29 november nog het NK internetschaak voor vrouwen en in 2015 was ze al Europees kampioen bij de meisjes tot en met zestien jaar. Datzelfde jaar nam ze ook deel aan het NK Schaken en de organisatie vroeg mij toen ter gelegenheid daarvan een gedicht te schrijven.
Na een bezoek aan haar en haar moeder vervlocht ik daarin een schaakprobleem voor beginners met haar verhaal en dat van Sissa, de mythische bedenker van het schaakspel, aan wie we ook de legende te danken hebben van de raadsman die zich door zijn koning liet belonen door op elk vak van het schaakbord steeds het dubbele aantal graankorrels te laten leggen: 1 op het eerste vak, 2 op het tweede, 4 op het derde enzovoort. Tot er op het laatste, 64e vak maar liefst 18.446.744.073.709.551.615 korrels liggen. Een van de klassieke voorbeelden van exponentiële groei, waaraan in deze corona-tijden weleens wordt gerefereerd om te laten zien hoe snel het virus zich kan verspreiden.
Anna-Maja, Sissa en de paardenvraag
Kan een paard overal op het bord komen zonder vaker dan één keer op een veld te komen?
Eén op a1 Een nieuwe dame is ze, een pion die in de vroege ochtend van het spel is gepromoveerd Twee op c2 na het offer van een oudere dame in een Georgisch-Armeens-Heerenveense opening Vier op b1 Nu lijkt ze alle velden te kunnen bestrijken – de jacht is nog jong en de sneeuw vers Acht op d2 Sneeuwlezen is schaken, ontwaren welke mogelijkheden leven onder de zacht smeltende deken Zestien op f1 waar goud en impasse liggen verscholen en zelfs de dood nog bloedt onder de witte tijd. Tweeëndertig op h2 Hoe goed, hoe snel ziet ze de contouren van de zwarte penning? Vierenzestig op g4 Maar tijd is iets wat ze stilzet, ruimte om de parallelle toekomsten te ontdekken. Honderdachtentwintig op h6 Misschien is ze familie van het ijskonijn en de yeti, een sneeuwdolfijn Tweehonderdzesenvijftig op g8 die moeiteloos heen en weer duikelt van kans naar eeuwig schaak Vijfhonderdtwaalf op e7 en straks komt er iemand die haar tot zetten dwingt, iemand Duizendvierentwintig op c8 die haar seconden, minuten laat eten; tijd die als een lintworm in haar huist; Tweeduizendachtenveertig op a7 en dan braakt zij een eindspel uit, want elke schaker kent de paardenronde, elke speler weet Vierduizendzesennegentig op b5 hoeveel graan de bedenker van het spel had moeten krijgen op het laatste veld –
alleen het paard weet wat daar zal liggen bij de laatste zet: tarwekorrels, goudstukken, bloeddruppels of sneeuwkristallen
Robin Robertson, auteur van het door mij vertaalde Hier maak ik mijn stad, zou dit najaar naar Den Haag komen voor het Crossing Border Festival.
Robin Robertson Image: Goldsmiths Prize
Dat kon vanwege covid-19 niet doorgaan. Het festival besloot echter om zo veel mogelijk online te laten doorgaan en dus zat Robertson op de avond van de verkiezingen die Donald T verloor – de naam van de man valt ook even – achter zijn bureau in Londen te praten met literair recensent Hans Bouman in een Haags theater.
Dat gesprek kon je online volgen en inmiddels staat het interview op internet. Het vormt een aardige inleiding op het boek en er wordt ook kort gesproken over het proces en de vermoede kwaliteit van de vertaling. Als je op de clip klikt, zou hij op het punt (27:20) moeten starten waar Robertson eerst een fragment uit het boek voorleest waaruit blijkt dat de politie in de VS ook ruim een halve eeuw geleden al mensen neerschoot zonder dat dit nodig was. Vervolgens gaat het over de vertaling.
Alleen een politiebak die de hoek van 4th en Los Angeles op was geslipt, zwaailichten als van een carrousel, en twee rennende agenten die schreeuwen, ‘Halt – politie!’, naar die vent die 3rd al helemaal door is en nu halverwege het blok naar de St Vibiana. Hij blijft staan, stapt uit het donker, spreidt zijn handen, vormt zo een staande ster. Hij schreeuwde misschien iets, maar hij was te ver weg om er iets van te kunnen maken. Dan grijpt hij plotseling naar zijn borstzakje en lijkt er een rode zakdoek uit te halen, doet een stap terug, wankelt, scheurt er dan nog één zo uit zijn gezicht. Pas toen hoorde Walker het, het geluid van de schoten.
Ik kom dit minizinnetje steeds vaker tegen, vooral op social media. Meestal volgt er dan een plaatje, strip of link waarin kort of lang uiteen wordt gezet hoe iets zit. Ik heb de indruk dat het vooral vrouwen zijn die van dit minizinnetje houden, maar misschien klopt dat niet. Ik proef er vaak een zekere wrevel of zelfs ongeduld in: ik weet dit al lang, maar voor wie het nog niet weet…
Want, sa ist en net oars, hoorde ik mijn Friese moeder vroeger wel eens zeggen. Zo is het en niet anders. En soms kwam daar dan nog achteraan: want as it oars wie, wie it net sa. Want als het anders was, was het niet zo. Daar werd ik meestal een beetje kregel van. Enne… dit dus.