Van een andere orde

Pär Hansson (foto: privécollectie)

Klimaatdichter zou de Zweed Pär Hansson in Nederland vermoedelijk worden genoemd. Er is een gedicht van hem terug te vinden op Klimaaksjon, de site van Noorse schrijvers die in actie komen tegen de klimaatverandering. Onlangs vertaalde ik voor het pas verschenen Scandinavië-nummer van Terras één lang gedicht en een reeks van negen kajakvormige gedichten uit zijn laatste bundel Kajak (2016), en uit die teksten spreekt zeker een duidelijke zorg over hoe de mens met zijn omgeving omgaat. Vi plockar bär i civilisationen (We plukken bessen in de beschaving, 2012) is de veelzeggende titel van zijn vijfde bundel. En zijn eerdere werk is vaak verweven met de natuur. Toch zou ik hem ook geen natuurdichter noemen.

Om een voorbeeld te geven een prozagedicht uit zijn tweede bundel Familjekista (Familiekist, 2001) waar zoals vaker de natuur de mensenwereld binnenkomt, hier in de vorm van bladeren, maar wat zich vervolgens voltrekt is van een andere orde dan natuurpoëzie. Misschien kun je het lichaamspoëzie noemen.

_______

DUIZELIG

Ik voel me duizelig, ik loop de aula uit de gang op. Een grijs licht komt door hoge ramen naar binnen. Het is een bewolkt licht dat geen schaduwen achterlaat. Een paar bladeren die naar binnen zijn gewaaid liggen roerloos op de geboende vloer. Ik voel aan de bladeren. Ze zijn dor en geel. Ik trek mijn schoenen uit en volg de gang, mijn wollen sokken glijden stil over de blanke vloer en ik kom geen andere leerlingen tegen, geen leraren. Ik ga een van de toiletten in, doe de deur goed op slot en het licht uit en trek mijn kleren uit. Ik kleed me uit tot ik naakt ben en betast mijn lichaam. Het is vochtig en verhit. De ruimte is donker en er is rust in het donker, ik kan mijn stem horen. Ik voel me moe, ga op de koele vloer liggen, slechts een dun streepje licht bereikt mij nog tussen de drempel en de onderkant van de deur door. De ruimte is zo klein dat ik bij beide muren kan, ook al lig ik op mijn zij. Het is fijn om op mijn zij te liggen. Ik heb het niet koud, schop met mijn voeten. Ik speel met mijn hand in het dunne licht, meet het punt af waar het licht van buiten wordt opgegeten door het eigen donker van de ruimte. Ik zie de schaduw van voeten. God staat buiten te wachten. Dan wordt er ongeduldig aan de deur gerukt, een metalen klank die maar door blijft daveren. Maar dat kan mij niets schelen. Ik speel met het licht, laat het golven over mijn knokkels en vingerkootjes.

_______

In Hanssons bundel drijven de kajakgedichten als scheiding tussen de langere reeksen. In Terras varen ze over pagina’s met andere teksten. Hierboven het eerste dat van de papieren wal steekt. Later hier of elders meer over deze poëzie.

gedichten: Pär Hansson
vertaling: Hans Kloos

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *